
2. De
technologie
2.3. Bakken
2.3.1. Algemene beschrijving van het bak proces
Het
bakken van stukken gerezen deeg geeft aanleiding tot een serie transformaties
die van fysische, chemische en biochemische aard zijn, met als eindresultaat
dat het deeg omgevormd wordt tot een lekker, licht verteerbaar product.
Nadat
het deeg voldoende gerezen is, wordt het in de bakkamer van de oven gebracht,
waar het deeg gebakken wordt bij een bepaalde temperatuur gedurende een
bepaalde tijd.
De rheologie van een deeg verandert enorm tijdens het bakken.
De aard van de veranderingen en de tijd en temperatuur waarbij ze optreden
spelen een belangrijke rol voor het uiteindelijke volume van het brood. Tijdens
het bakken groeien de gas cellen nog verder, voornamelijk door drie processen.
Vooreerst de verhoogde activiteit van de gist; de gist zal verder CO2
produceren tot hij geïnactiveerd wordt bij een temperatuur van ongeveer
De verhouding van de viskeuze tot de elastische
componenten daalt significant tijdens het verhitten tot aan de
verstijfselingstemperatuur (±
Bij
het begin gaat men "stomen" d.w.z. dat er stoom in de bakkamer wordt
geleid. Deze stoom gaat condenseren op het koude stukje deeg zodanig dat er een
laagje water op het deegoppervlak gevormd wordt. Dit gaat ervoor zorgen dat het
brood gaat blinken, glimmen en dat de korst krokant wordt. Daarenboven ontstaat
er net boven de oppervlakte van het deeg een laagje vochtige lucht. Dit laagje
blijft als het ware aan de oppervlakte kleven - fenomeen
dat we adhesie noemen - en in die zone is de temperatuur ook iets lager dan in
de rest van de bakkamer. De condens heeft ook een smerende functie. Want door de temperatuursstijging in
het deeg, gaat het ook beginnen uitzetten. Het volume wordt groter, men spreekt
over de "ovenrijs". Om die ovenrijs maximaal te benutten en een
product te krijgen met een aanvaardbaar volume, is het noodzakelijk dat de
korstvorming vertraagd optreedt. Ook het type oven dat gebruikt wordt gaat een
invloed uitoefenen op de kwaliteit en de eeteigenschappen van het brood: de
temperatuur die in de oven bereikt wordt, de aanwezigheid van stoom, de
beschikbaarheid van de calorieën (m.a.w. van de warmte), de tijd die men gaat
bakken enz. hebben allemaal een invloed op de consistentie van de kruim, op de
eigenschappen van de korst en op de smaak en het aroma van het brood.
De
temperatuur waarop men bakt varieert gewoonlijk tussen de
Vanuit
een fysisch standpunt gezien, is het bak proces een complex proces waarbij terzelfder
tijd zowel warmte als materie getransporteerd wordt. Door het deegstuk bloot te
stellen aan een warmtebron, ontstaat er in het deeg een temperatuursgradiënt
enerzijds en een verplaatsing van vocht anderzijds, die wezenlijke structurele
veranderingen teweegbrengen in het deeg. Al deze veranderingen staan in
correlatie tot elkaar. Naarmate het bakken verder gaat, komt er steeds minder
waterdamp vrij uit het brood, waardoor de oppervlaktetemperatuur van het
deegstuk steeds hoger gaat worden en als gevolg daarvan wordt de korst gevormd.
Die wordt dan ook steeds dikker naarmate de baktijd langer wordt. Op den duur
houdt het ontstaan van waterdamp zelfs op en op dat ogenblik begint het brood
echt te verbranden en zwart te worden.
Als
het deeg uit de rijskast komt, is de temperatuur ergens tussen de
Gedurende deze fase gaat
het deeg op een elastische en plastische manier uitzetten. Het gluten wordt
elastischer, het zetmeel wordt afgebroken en plastischer. Deze fenomenen
langzaam op tussen de
Naarmate
de temperatuur nog verder stijgt, gaat het deeg ophouden met uitzetten als
gevolg van het coaguleren van de eiwitten en van de gelatinisatie van het zetmeel.
Als deze fase afgelopen is, is de finale structuur van het brood gevormd. Dit
proces begint zo om en bij de
De
volgende tabel tracht een overzicht te geven van de belangrijkste fenomenen die
plaats vinden tijdens het bakken.
|
Effect
van stijgende temperatuur tijdens het bak proces |
|
|
temperatuur |
fenomeen |
|
|
door
stijgende temperatuur zetten de gassen uit enzymatische
productie van suikers oplosbaarheid
van CO2 daalt |
|
45 - |
gist
sterft |
|
50 - |
intensieve
enzymatische activiteit begin van
het verstijfselingsproces van het zetmeel |
|
60 - |
de
verstijfseling van het zetmeel loopt af enzymatische
activiteit houdt op door de denaturatie van enzymen kruimvorming
begint interactie
tussen gluten en zetmeel |
|
|
water
begint te koken vorming
van waterdamp pril
begin van korstvorming |
|
110 - |
vorming
van licht gele dextrinen in de korst |
|
130 - |
vorming
van bruine dextrinen in de korst |
|
140 - |
begin van
karamelisatie |
|
150 - |
vorming
van krokantheid en aromatische stoffen |
|
> |
carbonisatie
van de korst vorming
van een poreuze zwarte massa |
De volgende
foto's laten in volgorde de veranderingen zien die het deeg ondergaat tijdens
het rijs- en bak proces
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2.3.2. Warmte uitwisseling tijdens het bak proces
Warmte
transport is een fenomeen waarbij energie uitgewisseld wordt. Als er thermische
energie toegevoegd wordt aan stof gaan de moleculen van die stof sneller
bewegen d.w.z. naarmate de moleculen warmte absorberen gaat de kinetische
energie van de moleculen stijgen. De warmte wordt uitgewisseld wanneer een
molecule met een hogere energie-inhoud (en die dus sneller beweegt) gaat botsen
met een molecule met een lagere energie inhoud m.a.w. een molecule die zich
trager beweegt. De uitwisseling van energie is dus een fenomeen dat zich op
moleculaire of submoleculaire schaal afspeelt. De temperatuur is niets anders
dan een maat voor het niveau (de hoeveelheid) van thermische energie van een
groep moleculen.
De
soortelijke warmte van een stof is een grootheid die aangeeft hoeveel warmte er
nodig is om de temperatuur van een bepaalde stof met
1 kcal/kg °C = 4,186 kJ/kg °C
Zoals al gezegd is het bak
proces een aaneenschakeling van een aantal reacties. De snelheid waarmede deze
reacties verlopen, hangt af van de hoeveelheid warmte die aan het systeem
toegevoegd wordt. Het is echter noodzakelijk de verschillende reacties goed op
te volgen om er voor te zorgen dat de temperatuursgradiënt binnen het deeg niet
te groot wordt. In het tegenovergestelde geval zou het stadium waarin de
reacties zich bevinden heel verschillend kunnen zijn naargelang we dichter of
verder van de korst verwijderd zijn. Dit zou resulteren in minder goede
kwaliteit.
De
warmte overdracht gebeurt via drie basis mechanismen:
a) Straling
Energie
kan overgedragen worden van een lichaam op een ander lichaam door middel van
elektromagnetische straling. Elektromagnetische straling plant zich voort met
de snelheid van het licht en wordt gekarakteriseerd door zijn golflengte en
zijn frequentie. Straling met een golflengte tussen de 0,8 en de 400 µm wordt
warmtestraling genoemd omdat zij vrij gemakkelijk door een lichaam geabsorbeerd
wordt en omgezet wordt in warmte. Dit soort straling wordt ook wel infrarood
genoemd.
Dit
soort straling is vrij belangrijk in een aantal ovens, vooral in direct
gestookte ovens waarin het product de vlam of de rode gloed kan
"zien". Infrarood straling kan met het blote oog gezien worden
bijvoorbeeld bij het elektrisch element dat zich in huishoud ovens bevindt en
gebruikt wordt om gerechten te grillen. Hierdoor krijgen ze een knapperig bruin
korstje. IR-straling wordt dus voornamelijk gebruikt om de oppervlakte
knapperig te maken of om voedsel warm te houden (denk aan de rode lampen die
boven de gerechten hangen in een aantal zelfbediening restaurants).
Meer
moderne systemen van verwarming gebruiken microgolven of dielectrische
verwarming of radiogolven. Het is echter belangrijk te onthouden dat straling
geen medium nodig heeft om zich voort te planten… het
werkt ook in het luchtledige.
b) Geleiding
Wanneer
een stof wordt verwarmd, beginnen de moleculen van die stof sneller te
oscilleren. Die oscillatie wordt overgedragen van de ene molecule op de andere,
van een lichaam op een ander lichaam dankzij het contact dat er bestaan tussen
de twee lichamen. Het bakken door geleiding vereist dus een intiem contact
tussen het deeg enerzijds en de warmtebron anderzijds. De snelheid waarmee de
warmte van het ene lichaam over gaat op het andere lichaam hangt af van twee
factoren:
Geleiding
is een belangrijk aspect van het bakken. Het deeg is namelijk in contact hetzij
met de bakplaat, hetzij met de ovenmat (metaal of steen) of met de bakvorm. Het
contact tussen de twee kan heel intensief zijn en de warmte overdracht kan vrij
snel verlopen vooral bij dunne producten. De warmte overdracht wordt beïnvloed
door de geleidingscoëfficiënt. In het geval van brood is variabel naarmate het
bak proces vordert omdat hij afhankelijk is van het vochtgehalte van het deeg,
de temperatuur van het product en met de structuur van het product. Tijdens het
bakken verandert de structuur van het product, nl. van deeg naar brood en de
geleidingscoëfficiënt is afhankelijk van de structuur. De volgende tabel geeft
een overzicht van enkele geleidingscoëfficiënten:
|
Geleidingscoëfficiënten |
||
|
materie |
temperatuur
°C |
K
(W/mK) |
|
ijs |
|
2,23 |
|
water |
|
0,55 |
|
water |
|
0,69 |
|
lucht |
|
0,02 |
|
olijfolie |
|
0,17 |
|
roestvrij staal |
- |
11,6
– 17,5 |
c) Convectie
Warmte-uitwisseling
door convectie is het resultaat van het mengen van koude en warme gedeeltes van
een medium. Voor convectie is er dus beweging nodig. Convectie gebeurt op
natuurlijke wijze als er een verschil in dichtheid is in het medium. Warme
lucht is lichter en heeft daarom de neiging van te stijgen, terwijl koude lucht
zwaarder is en de neiging heeft te dalen. Het gevolg is dat er een op- en
neerwaartse beweging ontstaat van lucht en deze beweging zorgt voor warmte-uitwisseling
tussen de warme en de koude lucht. In een oven doet die natuurlijke circulatie
zich ook voor, maar deze is natuurlijk heel inefficiënt. Wel moet men in het
oog houden dat lucht niet het enige medium is dat in de oven aanwezig is. Er is
ook bijvoorbeeld waterdamp aanwezig in de bakkamer.
Natuurlijke
convectie is traag, inefficiënt en onregelmatig. De resultaten ervan zijn
voorspelbaar: een onregelmatig bak proces en een onregelmatige kwaliteit.
Convectie hangt af van een aantal factoren en kan niet in een eenvoudige
wiskundige vergelijking vastgelegd worden. De voornaamste factoren die de
convectie beïnvloeden zijn:
Hoe
dan ook, de thermische capaciteit van convectie is recht evenredig met de
grootte van de oppervlaktes die meespelen in de warmte-uitwisseling en met het
temperatuurverschil tussen het warmere lichaam en het koudere lichaam.
2.3.3. Warmte
overdracht in het deeg
In
het voorgaande hebben we bekeken hoe de warmte van de omgeving door het deeg
kan opgenomen worden. De manier waarop de warmte zich echter in het deeg zelf
voortbeweegt berust op een totaal ander mechanisme en heeft niets meer te maken
met straling, geleiding of convectie.
De
hoeveelheid vocht die aanwezig is in het deeg varieert van 43 % tot 48 % van
het totaal gewicht van het deeg. Toen we het belang en de invloed van het
kneden bekeken hebben, hebben we vastgesteld dat het water reageert met andere
ingrediënten (absorptie door de eiwitten, de rol van de pentosanen en de
fysische staat van het zetmeel). Gedurende het bak proces doen zich twee
belangrijke veranderingen voor in het deeg.
·
het
vrije water migreert naar het zetmeel maar ook een gedeelte van het water dat
gebonden is aan het gluten gaar migreren naar het zetmeel. Dit proces begint
bij ongeveer
·
het
water gaat ook verdampen tijdens het bak proces Er verdampt ongeveer 10 à
12 % van het totale gewicht van het deegstuk. Studies hebben aangetoond dat dit
water in feite onttrokken wordt aan het laagje kruim dat net onder de korst zit
(tot zo ongeveer
|
Vochtgehalte
van de kruim tijdens het bakken |
||||||
|
baktijd |
|
|
|
|
|
|
|
22' |
6,0
% |
18,7
% |
44,1
% |
44,9
% |
44,8
% |
45,0
% |
|
30' |
5,4
% |
14,3
% |
43,5
% |
44,8
% |
45,1
% |
44,6
% |
|
38' |
3,7
% |
15,0
% |
41,7
% |
45,5
% |
45,6
% |
45,0
% |
Uit
deze tabel kan men gemakkelijk afleiden dat het vochtgehalte in gans de kruim
ongeveer dezelfde is op ongeveer 1 à
Het proces van het warmte
transport binnen in het deeg kan men best als volgt beschrijven. Onder invloed
van de stijgende temperatuur gaat het water net onder de oppervlakte van het
deegstuk beginnen koken. Er gaat zich waterdamp vormen en deze gaat zich
verplaatsen in alle richtingen. Een gedeelte van de waterdamp ontsnapt via de
korst, een ander gedeelte gaat zich naar het centrum van het deeg verplaatsen.
Dit gedeelte komt in aanraking met kouder deeg en gaat condenseren. Door het
condenseren wordt condensatiewarmte vrijgemaakt en deze gaat op zijn beurt het
deeg opwarmen. Men kan dit proces het beste vergelijken met een het gevoel dat
men krijgt wanneer men een sauna binnen gaat. De warme stoom gaat condenseren
op de koudere huid, er treedt condensatie op en men krijgt warm; de temperatuur
van de huid stijgt. Door de condensatie gaat de koudere laag binnen in het deeg
opgewarmd worden, het water begint te koken en er gaat zich opnieuw waterdamp
vormen. Op die manier verplaatst de waterdamp zich geleidelijk naar het centrum
van het deeg. Dit proces gaat door totdat het deeg
In
de volgende tabel ziet men de resultaten van een aantal vocht bepalingen
Enerzijds heeft men het vocht bepaald van het deeg en anderzijds het vocht van
het brood voor afkoelen en na afkoelen. De resultaten tonen duidelijk aan dat
het water zich verplaatst naar het (thermisch) centrum van het deeg. Ook
interessant is het vast te stellen dat het vochtgehalte van de kruim na
afkoelen gelijk is aan het vochtgehalte van het deeg. Met andere woorden het verlies aan vocht van het rauwe
product (deeg) in vergelijking met het gebakken product (brood) is een gevolg
van de vorming van de korst.
|
Vochtgehalte
van deeg en brood |
|
|
product |
% vocht |
|
rauw deeg |
42,7 % |
|
center kruim
onmiddellijk na uitovenen |
45,2 % |
|
center kruim na afkoelen |
42,8 % |
In
het centrum van het deeg is de temperatuur dus lager dan die aan de buitenkant,
waardoor er een stroom van vocht van buiten naar binnen optreedt.
Tegelijkertijd wordt de CO2 die aanwezig is uit het deeg naar buiten
verplaatst. De drijvende kracht achter deze verschijnselen noemt diffusie.
Diffusie betekent dat er een stroom (verplaatsing) optreedt als gevolg van
concentratie- of drukverschillen.
Uit dit model volgen drie belangrijke conclusies:
·
de
omstandigheden van temperatuur en vocht in de bakkamer hebben geen directe
invloed op de warmte penetratie in het deeg en in de kruim. De beperkende
factor is de
·
Wanneer
de dikte van de korst relatief klein is ten opzichte van het totale volume van
het brood, wordt de baktijd bijna uitsluitend bepaald door de geometrie van het
brood. Met andere woorden het is de driedimensionale vorm van het deeg die de
baktijd bepaalt. Als men één kilo deeg neemt en men maakt er een brood van
·
de
temperatuur waarbij men bakt beïnvloedt dus nauwelijks de baktijd, maar hij
gaat wel de kleur van de korst bepalen. Zo kan het zijn dat, wanneer de
baktemperatuur te hoog is, dat de korst al te donker is vooraleer het brood
gaar is m.a.w. gebakken is tot in het centrum van het deeg. Door bij een hogere
temperatuur te bakken wordt de korstvorming versneld, niet de kruimvorming.
2.3.4.
Soortelijke warmte van deeg
Volgens
het model dat we hierboven beschreven hebben, is de theoretische hoeveelheid
warmte die we nodig hebben om brood te bakken, samengesteld uit volgende
onderdelen:
·
de
hoeveelheid warmte nodig om het deeg op te warmen van de omgevingstemperatuur
(narijskast) tot
·
de
hoeveelheid warmte nodig om voldoende water te verdampen; de hoeveelheid water
die verdampt wordt is natuurlijk gelijk aan het gewichtsverlies van het
deegstuk
·
het
"verhitten" van de korst om de gewenste korst eigenschappen te
genereren
Het
berekenen van de soortelijke warmte van deeg is vrij eenvoudig en wordt
geïllustreerd in de volgende tabel :
|
Soortelijke
warmte (sw) van deeg |
|||||
|
grondstof |
receptuur |
fractie |
sw grondstof |
sw deeg |
sw in % |
|
bloem |
|
0,629 |
1,8 |
1,13 |
43
% |
|
water |
|
0,327 |
4,2 |
1,38 |
53
% |
|
verbeteraar |
|
0,018 |
1,8 |
0,03 |
1
% |
|
gist |
|
0,013 |
3,2 |
0,04 |
2
% |
|
zout |
|
0,013 |
1,8 |
0,02 |
1
% |
|
totaal |
|
1,000 |
- |
2,60 |
100
% |
2.3.5.
Vochthuishouding in de bakruimte en in het brood
a)
Het vocht in de bakruimte
Vooraleer
dieper in te gaan op dit thema, gaan we enkele basis principes - die verband
houden met water, mist, condensatie enz. - op een rijtje zetten.
We
zijn vertrouwd met water in vloeibare vorm en in vaste vorm (ijs), maar water
bevindt zich ook in de ons omringende lucht als een onzichtbaar en reukloos gas
dat waterdamp wordt genoemd. Met een eenvoudige proef kan men bewijzen dat er
waterdamp in de lucht zit. Adem uit op een spiegel en je zult zien dat deze
aandampt. De waterdamp wordt zichtbaar.
Ongeveer
90 % van de waterdamp is afkomstig van oceanen. Het water verandert van
vloeistof in gas door verdamping. Watermoleculen zijn polair, hebben
tegengestelde elektrische ladingen en zijn daardoor, ondanks hun beweging, met
elkaar verbonden. Door verwarming gaan de moleculen in water sneller bewegen.
Bij een bepaalde snelheid kunnen sommige moleculen zich van elkaar losrukken en
in de vorm van gas (waterdamp) ontsnappen. Des te meer het water wordt
verwarmd, des te groter de hoeveelheid waterdamp.
Lucht
kan slechts een bepaalde hoeveelheid waterdamp bevatten. Die hoeveelheid hangt
af van de temperatuur van de lucht. Hoe warmer de lucht, hoe meer waterdamp hij
kan opnemen. Wanneer de lucht niet méér waterdamp kan bevatten, heeft hij zijn
verzadigingspunt bereikt. De waterdamp in de lucht begint te condenseren, dat
wil zeggen hij gaat terug over in vloeistof. De temperatuur waarbij waterdamp
begint te condenseren noemt men het dauwpunt.
Men kan het ook omdraaien : het dauwpunt is de temperatuur waartoe de lucht bij
gelijkblijvende luchtdruk en vochtigheid afgekoeld moet worden, om verzadiging
(mist, condensatie) te krijgen. Als condensatie plaatsvindt nabij het oppervlak
zullen de watermoleculen op allerlei uitsteeksels aan elkaar klitten en kleine
druppeltjes vormen die samen dauw worden genoemd.
Ligt
de temperatuur aan het oppervlak onder het vriespunt (of ligt het dauwpunt
onder de
Als
de atmosfeer alleen uit gas bestond, zou er boven de grond geen condensatie
kunnen plaatsvinden omdat er niets was waarop de waterdamp kon condenseren. In
werkelijkheid zit de lucht echter vol met microscopisch kleine zwevende
deeltjes, zoals stofdeeltjes en kristalletjes zeezout. Op deze condensatie
kernen kan waterdamp condenseren. Wanneer de condensatie vlak boven de grond plaatsvindt,
ontstaat er mist. Gebeurt het op grotere hoogte dan ontstaan er wolken.
Eigenlijk gaat het op hetzelfde proces: mist is niets anders dan een laag
wolken die het aardoppervlak raakt.
De
hoeveelheid waterdamp in de lucht wordt uitgedrukt in luchtvochtigheid. De absolute vochtigheid is een maat voor het volume
waterdamp in een bepaalde hoeveelheid lucht bij de gemeten temperatuur.
Aangezien de hoeveelheid waterdamp die de lucht kan bevatten toeneemt met de
temperatuur, gebruikt men liever de relatieve
vochtigheid. Deze wordt uitgedrukt in procenten van de hoeveelheid
waterdamp die nodig zou zijn om de lucht bij de betreffende temperatuur
verzadigd te maken. Verzadigde lucht heeft per definitie een vochtigheid van
100 %. Dit wil zeggen dat er bij de heersende temperatuur niet meer water kan
verdampen. Volledig droge lucht heeft per definitie een relatieve vochtigheid
van 0 %.
Lucht
van
Tenslotte
kan men ook nog spreken over het specifiek
vochtgehalte : g water per
Aangezien
het specifiek vochtgehalte onafhankelijk is van temperatuur en druk, betekent
dit dat wijzigende condities in de bakkamer, de resultaten niet gaan
beïnvloeden.
Het
meten van de relatieve vochtigheid in de bakruimte is altijd problematisch
geweest omdat er, tot voor kort, geen goede instrumenten voor beschikbaar
waren. Tegenwoordig heeft men een aantal mogelijkheden die op een van volgende
principes berusten:
·
een
sonde, die temperaturen tot
·
een
ander type meetinstrument gaat een gedeelte van de atmosfeer die in de
bakruimte aanwezig is, daaruit afzuigen. Men zorgt er voor dat er geen
condensatie optreedt en dan gaat men met een klassieke droge en natte
thermometer het vochtgehalte bepalen dat in de lucht aanwezig is.
De
hoeveelheid vocht aanwezig in de bakruimte hangt hoofdzakelijk af van drie
zaken: