
1.3. Gist en zuurdesem
1.3.1. Gist
Gist is een micro-organisme dat gecultiveerd wordt in gistfabrieken. Zijn wetenschappelijke naam is Saccharomyces cerevisiae. Hierin ziet men het Latijnse woordje "saccharo" wat zoet of suiker betekent en het woordje "myces" wat schimmel betekent. Bakkersgist is een eencellige schimmel die zich door knopvorming voortplant. Deze knop begint zich aan te celwand te vormen en gaat zich uiteindelijk van de moedercel afsplitsen om zo zelf een volwaardige gistcel te worden.
Gist komt meestal voor als geperste gist. Deze bevat zo ongeveer 75 % water, waarvan ongeveer zich 1/5 tussen de gistcellen bevindt en niet in de gistcel. Afhankelijk van het vochtgehalte en de cel grootte, bevat 1 gram gist 8 à 13 miljard gistcellen. In deze toestand beschikt de gistcel over geen voedingsstoffen en moet hij in leven blijven door de reserves aan te spreken die hij in de cel opgeslagen heeft. Hierdoor gaat de cel langzaam maar zeker verzwakken en we noemen dit proces autolyse. De snelheid waarmede dit proces verloopt is vooral afhankelijk van de protease activiteit van de cel. Proteases zijn enzymen die eiwitten splitsen. De protease activiteit is ook afhankelijk van de temperatuur: hoe hoger deze is, hoe sneller dit proces zal verlopen. Daarom moet gist in de ijskast bewaard worden.
Gist kan op twee manieren "leven": met of zonder zuurstof. Als er zuurstof en voedingsstoffen aanwezig zijn dan gaat de gist zich vermenigvuldigen doorknopvorming. De gistfabriek maakt van dit mechanisme gebruik om gist te produceren. Als hij geen zuurstof ter beschikking heeft - en dit is het geval bij de broodbereiding omdat het deeg geen zuurstof meer bevat enkele minuten na het kneden - dan schakelt de gist over op een anaërobe levenswijze: hij vergist de aanwezige suikers in het deeg en zet deze om tot CO2 en alcohol.
Er zijn veel variëteiten gist die allemaal tot het geslacht Saccharomyces behoren. Die hebben niet allemaal hetzelfde vermogen om suikers te vergisten. Sommige soorten vergisten alleen maar een soort suiker, andere twee soorten suiker. In het geval van brood hebben we een gist nodig die én glucose én fructose kan omzetten in CO2 en alcohol.
![]() |
![]() |
Algemene beschrijving van gist
Gisten zijn - net zoals de schimmels - geen precies gedefinieerde taxonomische groep. Zij behoren tot dezelfde taxonomische eenheden als de schimmels. Gisten worden gedefinieerd als ééncellige fungi, in tegenstelling tot de schimmels, die meercellig zijn. Echter, vele soorten die men algemeen als gisten beschouwt, kunnen onder bepaalde omstandigheden in min of meerdere mate een mycelium vormen. Anderzijds lijken sommige schimmels in hun conidiënstadium op knopvormende gisten. Het geslacht Geotrichum bijvoorbeeld wordt daarom soms ook onder de gisten geplaatst.
Gisten worden in de natuur aangetroffen in habitats waar fermenteerbare, suikerrijke vloeistoffen aanwezig zijn, b.v. in de nectar van bloemen, op fruit en bladeren. De gisten kunnen bederf van levensmiddelen veroorzaken, b.v. vruchtensappen, siropen, honing, vlees, wijn, bier, yoghurt... Zij worden ook aangewend bij de bereiding van bepaalde levensmiddelen zoals brood, bier, wijn, azijn, kaas, bepaalde oosterse producten, en voor de productie van enzymen. Hoewel er pathogene gistsoorten bestaan (b.v. Candida albicans), worden deze niet typisch aangetroffen in levensmiddelen.
Morfologische karakteristieken
Gistcellen zijn meestal ovoïd (eivormig), maar kunnen ook rond, citroenvormig, peervormig, cilindrisch of driehoekig zijn, en een mycelium vormen. De gisten verschillen onderling in afmetingen, maar zijn doorgaans groter dan de bacteriën: 1-5 µ diameter en 5-30 µ lengte. Gisten bezitten geen flagellen. Microscopisch kan men waarnemen: celwand, cytoplasma, vacuolen, vetglobulen, en granulen bestaande uit polyfosfaat, albuminen, of zetmeel.
Reproductie
Aseksuele reproductie geschiedt bij de meeste gisten door knopvorming, waarbij een deel van het cytoplasma plaatselijk gaat uitpuilen. Deze uitstulping groeit verder aan en snoert zich uiteindelijk af van de moedercel. Knopvorming kan polair zijn of multilateraal. Wanneer de knoppen aan elkaar blijven hangen kan een pseudo-mycelium gevormd worden. Splitsing (sissipariteit), waarbij de moedercel in twee gelijke dochtercellen wordt gedeeld door een nieuwe celwand, komt slechts in enkele soorten voor (b.v. Schizosaccharomyces). Wanneer na splitsing de dochtercellen aan elkaar blijven hangen, spreekt men van een echt mycelium.
Seksuele reproductie is een eigenschap van de zogenaamde echte gisten, die grotendeels behoren bij de ascomyceten. De gistcel fungeert als ascuszak waarin ascosporen worden gevormd. Het aantal ascosporen per cel, en de vorm van de ascosporen zijn karakteristiek voor de soort en wordt gebruikt bij determinatie. De levenscyclus van gisten kan onderling verschillen. Saccharomyces cerevisiae b.v., bestaat het grootste deel van zijn cyclus als diploïde vegetatieve cellen. In deze cellen kan onder ongunstige condities de vorming van ascosporen geïnduceerd worden door meiose, wat aanleiding geeft tot vier haploïde ascosporen (twee van ieder geslacht of "mating type"). Ascosporen van verschillend mating type conjugeren doorgaans onmiddellijk en vormen zo de diploïde zygote, die verder groeit door knopvorming als vegetatieve cel. In Zygosaccharomyces zijn de vegetatieve cellen haploïd en conjugeren tot een zygote. Deze ondergaat een meiotische deling waarbij vier haploïde ascosporenworden gevormd, die uitgroeien tot vegetatieve cellen.
De asporogene gisten of valse gisten vormen per definitie geen seksuele sporen en behoren tot de fungi imperfecti (deuteromyceten). Zij reproduceren uitsluitend via knopvorming, behalve sommige vertegenwoordigers uit deze groep die ook een mycelium kunnen vormen. Een aantal gisten die vroeger bij de deuteromyceten werden ondergebracht, zijn later ook geklasseerd onder een andere naam bij de ascomyceten of basidiomyceten omdat hun teleomorf stadium was ontdekt. Net als bij de schimmels kan dit leiden tot enige naamsverwarring, omdat de oude benaming en classificatie vaak behouden blijft.
Fysiologische kenmerken
De meeste gisten groeien goed in een vloeibare bodem of in een voedingsbodem die zeer rijk is aan water. Hoewel gisten over het algemeen meer opneembaar vocht vereisen dan schimmels, zijn er ook gisten die bekwaam zijn te groeien in grote concentraties van opgeloste stoffen zoals suiker of zout. Waar de minimale aw waarde voor de groei van "normale" gisten zich situeert tussen 0,88 en 0,94 (b.v. 0,94 voor brouwersgist, 0,905 voor bakkersgist), zullen osmofiele gisten groeien bij een aw van 0,62 (b.v. Zygosaccharomyces rouxii) tot 0,65. Dergelijke waarden worden aangetroffen in b.v. siropen, confituren, honing. Sommige osmofiele gisten zullen niet meer groeien bij aw waarden boven ongeveer 0,78. Uiteraard zullen zowel aw optimum als het aw gebied waarin groei kan optreden, afhankelijk zijn van andere factoren zoals nutritieve eigenschappen van het substraat, pH, temperatuur, zuurstof, inhibitorische bestanddelen.
De temperatuursvereisten voor de groei van gisten zijn dezelfde als die van de schimmels, met als "normale" waarden een optimum bij 25 - 30°C en een maximum bij 35 - 47°C. Sommige soorten groeien echter nog bij 0°C en minder. Candida curiosa b.v. groeit bij 0 - 15°C, maar niet meer bij 25°C.
De groei van de meeste gisten wordt begunstigd door een zuur milieu (pH 4 – 4,5), de groei in een alkalisch milieu is zwak. Uitschieters zijn Zygosaccharomyces bailii die groeit tot pH 1,8 en sommige Schizosaccharomyces soorten die goed groeien bij pH > 7.
De gisten ontwikkelen zich best onder aërobe voorwaarden. De oxidatieve gisten zijn strikt aëroob en worden ook filmgisten genoemd vanwege hun groei in de aërobe zone van een vloeibaar medium. Sommige gisten zijn facultatief anaëroob, zij schakelen over op een fermentatief metabolisme in afwezigheid van zuurstof. Hierbij kunnen CO2 (koolzuurgas) en ethanol (alcohol) gevormd worden, wat van belang is in resp. het rijzen van brood en de productie van bier en wijn. Door fermentatie kunnen gisten in een afgesloten verpakking een grote CO2 druk opbouwen, waardoor soms zelfs blikken kunnen gaan lekken of exploderen.
Suikers zijn voor de gisten de beste energiebron, hoewel ook organische zuren en alcohol kunnen gebruikt worden, vooral door de oxidatieve gisten. De stikstofbestanddelen die gisten vereisen voor hun groei zijn zeer uiteenlopend, gaande van NO3-, NO2-, NH4+, ureum, tot aminozuren. Sommige gisten vereisen bepaalde vitaminen, vooral van de B-groep, doch deze vereisten kunnen samenhangen met de toegediende N-bron.
Commerciële gist
Commercieel is gist beschikbaar in een aantal verschillende fysische vormen :
Blokken gist is de meest voorkomende vorm waarin gist verkocht wordt. Dit heeft een aantal praktische en economische oorzaken. Gist wordt in compakte blokken verkocht zodanig dat het contact tussen de gist en de lucht minimaal is. De kleur en het al dan niet brokkelig zijn verschilt van producent tot producent maar meestal heeft de gist een pastel beige kleur en als hij vers is kleeft hij nog een beetje. Hij wordt meestal verpakt in papier dat aan de binnenkant een laagje was heeft ofwel in cellofaan. Door de gist op die manier te verpakken gaat men het uitdrogen tegen.
Tot in 1825 werd gist altijd in vloeibare vorm verkocht. Een Duits bedrijf - Tebbenhof - bracht toen voor de eerste maal blokken of gecompresseerde gist op de markt. Recent is vloeibare gist terug in opmars. Hij wordt dan in roestvrij stalen containers van 1000 l verkocht of voor de grote industriële bakkerijen in tankwagens aangeleverd. Deze laatste hebben meer en meer neiging om gist in vloeibare vorm aan te kopen zodanig dat het productie proces beter en gemakkelijker geautomatiseerd kan worden. Vloeibare gist laat zich nu eenmaal gemakkelijk verpompen en automatisch doseren.
Buidel gist wordt meestal in zakken van 25 kg verkocht. De gist is dan niet gecompresseerd. Hij zit meestal in dubbelwandige papieren zakken die binnenin met polyethyleen bekleed zijn. Eens de zak open, heeft deze gist wel de neiging op te warmen en geopende zakken moeten altijd goed in de koelkast bewaard worden. Vele industriële bakkers kopen buidel gist om die dan zelf in een waterige suspensie te brengen om op die manier hun productie proces te automatiseren.
Actieve droge gist is, zoals de naam het zelf zegt, gedroogde gist. Hij wordt verpakt in blikken dozen of in aluminium zakjes die gevacumeerd worden. Op die manier is de gist ook beschikbaar voor huishoudelijk gebruik in zakjes van 5 of 10 gram. Actieve droge gist kan bij kamertemperatuur bewaard worden. Dit product is uitermate geschikt voor gebruik in een tropisch of sub-tropisch klimaat. Hij moet wel gerehydrateerd worden in lauw water voor gebruik.
Instant droge gist dankt zijn naam aan het feit dat hij niet moet gerehydrateerd worden voor gebruik maar dat hij rechtstreeks zoals hij uit het zakje komt kan gebruikt worden. Meestal wordt hij verpakt onder vacuum of onder beschermende atmosfeer indien hij rechtstreeks aan de consument in de supermarkt verkocht wordt. Hij kan uiteraard ook bij kamertemperatuur bewaard worden.
Gedesactiveerde gist : door een specifieke behandeling wordt er voor gezorgd dat deze gist geen suikers meer kan vergisten. Door deze behandeling maakt men de celwanden doorlaatbaar zodanig dat, in contact met water, de celinhoud vrij komt. In die celinhoud zit o.a. glutathion en deze stof heeft een reducerend effect op de gluten van het deeg. Dit laat zich op twee manieren voelen :
1.3.2. Zuurdesem
Inleiding
Hoe is het mogelijk dat uit relatief smaakloze grondstoffen (bloem, water en gist) een zo fantastisch smakend product als brood kan ontstaan ?
Uit onderzoekingen blijkt dat van alle geuren en smaken, de geur en de smaak van vers brood door circa 70 % van alle ondervraagden op de eerste plaats gezet wordt.

Definities
Laat ons beginnen met een paar definities te geven want er is heel wat spraakverwarring als men over zuurdesem, zuurdeeg, zetsel enz. spreekt. Men gaat ook vrij nonchalant om met de verschillende definities die men meestal door elkaar gebruikt wat bijdraagt tot de verwarring die op dit gebied bestaat.
Desem (zuurdesem, zuurdeeg, natuurdesem) wordt gemaakt van bloem en water en het mengsel laat men spontaan fermenteren gedurende een bepaalde tijd bij een bepaalde temperatuur. Aangezien de bloem van nature uit melkzuurbacteriën bevat, zullen deze zich in het zuurdeeg ontwikkelen en het mengsel verzuren. Soms gaat de bakker hier ook melkzuurbacteriën aan toevoegen. In het Frans praat men over levain, in het Engels over sourdough en in het Italiaans over madre. De Duitsers praten over een Sauerteig.
Zetsel wordt gemaakt van bloem, water en bakkersgist en het mengsel laat men zoals desem fermenteren gedurende een bepaalde tijd bij een bepaalde temperatuur. In het Frans wordt een zetsel "poolish" genoemd en in het Engels praat men over een "sponge". In het Italiaans heeft men het over biga en in het Duits praat men over een "Hefestück".
De term "voordeeg" is een verzamelnaam waarbij men over alle types zuurdesem of zetsels praat. Een "voordeeg" is letterlijk een deeg die men maakt "voor het deeg" met de bedoeling deze op een bepaalde manier te laten rijpen. Het lijkt me hoe dan ook aangewezen om een overzicht te maken van alle termen die in verband staan met zuurdesem.
| Uitdrukking | Omschrijving |
| Gist | Gist behoort tot de familie van de planten. Gist komt voor op planten, in de lucht, in de grond, in en op mens en dier. Gist metaboliseert enkelvoudige suikers en produceert daarbij alcohol en CO2. Dit proces noemt men "vergisten" of "fermentatie". Verschillende soorten (stammen) gist worden ingezet bij verschillende soorten producties b.v. in de bakkerij en in de bouwerij. |
| Bakkersgist | In 1860 ontdekte Louis Pasteur waarom brood rijst en wat de rol van de gist is in dit rijsproces. Hij ontdekte dat een bepaalde stam gist – Saccharomyces cerevisiae – die uitermate voor geschikt was om brood te laten rijzen en dat men deze stam gemakkelijk op industriële wijze kon kweken |
| Natuurlijke of wild gisten | Gisten die op natuurlijke wijze voorkomen op planten (graan, fruit, groenten enz). Zij behoren meestal tot de familie Saccharomyces exigus waartoe ook de variëteiten Candida krusei en Candida milleri behoren. |
| Melkzuurbacteriën | Verzamelnaam voor een ganse reeks grampositieve bacteriën (o.a. Enterococcus, Lactococcus, Leuconostoc, Lactobacillus) waarvan het metabolisme voornamelijk of uitsluitend melkzuur produceert. Zij worden veel gebruikt in de voedingsindustrie o.a. voor de bereiding van zuurkool, bier, wijn, kaas, zuurdesem en yoghurt. |
| Anstellgut (Duits) | Een stuk oud deeg dat men overhoudt van vorige producties en dat op regelmatige tijdstippen ververst wordt door extra water en bloem toe te voegen. |
| Barm (Engels) | Natuurdesem gemaakt van volkoren meel of graankorrels die begint te vergisten dank zij de aanwezigheid van melkzuurbacteriën en wild gisten die van nature uit aanwezig zijn in het graan. |
| Biga (Italiaans) | Desem gemaakt op basis van commerciële gist : water, bloem en een heel kleine hoeveelheid commerciële gist worden gekneed. De consistentie is dezelfde als een gewoon deeg. Het geheel laat men 24 uur of meer vergisten en wordt dan toegevoegd aan een vers deeg. Meestal gaat men dan ook nog commerciële gist toevoegen aan het einddeeg. |
| Chef (Frans) | Natuurdesem waarvan men iedere dag een stukje overhoudt om verder op te bouwen : hij wordt gebruikt voor het aanmaken van levain. Een chef is meestal minder vast dan de levain. |
| Levain (Frans) | Wordt gemaakt van een chef waaraan men nog bloem en water toevoegt om een gelijkaardige consistentie te krijgen als een normaal deeg. Meestal wordt deze ook bij lagere temperaturen bewaard wat de vorming van melkzuur in de hand werkt ten nadele van azijnzuur. |
| Desem (Nederlands) | Natuurdesem gemaakt van volkoren meel. Traditioneel wordt hij koel bewaard (16 – 18°C) en helemaal bedekt met bloem zodanig dat enkel de van nature uit aanwezige gisten en melkzuurbacteriën zich ontwikkelen |
| Amish (Amerikaans) | Natuurdesem of desem op basis van commerciële gist waarbij het water vervangen wordt door melk en waaraan een kleine hoeveelheid suiker wordt bijgevoegd. |
| Anfrischsauer (Duits) | Duitse uitdrukking om de eerste stap aan te duiden in proces dat gevolgd wordt om zuurdeeg te maken. Bestaat uit "Anstellgut", water en bloem. |
| Grundsauer | Duitse term waarmee men de tweede fase aanduidt van de bereiding van een zuurdesem. |
| Vollsauer | Duitse term waarmee men de derde fase aanduidt van de bereiding van een zuurdesem. |
| Madre (Spaans en Italiaans) | Natuurdesem gemaakt op basis van tarwebloem die men spontaan laat vergisten. |
| Poolish (Frans) | Is een mengsel van water, bloem en commerciële gist. Meestal wordt er vrij veel water gebruikt zodanig dat het mengsel eerder de consistentie heeft van een beslag dan van een deeg. |
| Pre-ferment (Engels) | s hetzelfde als een poolish hoewel er ook pre-ferments gemaakt worden door gebruik te maken van spontane verzuring door melkzuurbacteriën (bij de productie van crackers bijvoorbeeld). |
| Sauerteig (Duits) | Desem bekomen door de spontane vergisting onder de invloed van natuurlijke gisten en melkzuurbacteriën. Na volledige rijping wordt een stuk hiervan overgehouden en wordt dan het "Anstellgut". |
| Starter (Engels) | Kan twee betekenissen hebben: ofwel een reincultuur van melkzuurbacteriën of wel een stuk deeg dat men overhoudt van de vorige productie en dat men op regelmatige tijdstippen ververst door er water en bloem aan toe te voegen. |
| Sponge (Engels) | Is een mengsel van water, bloem en commerciële gist. De consistentie ligt vrij dicht bij de consistentie van een normaal deeg, maar is meestal toch iets minder vast. |
Melkzuurbacteriën
Zoals hierboven al aangegeven is de term melkzuurbacteriën (mzb) een verzamelnaam en er bestaan ontelbare species en subspecies. Soms worden ze ook wel lactobacillen genoemd. Het woord Lactobacillus betekent letterlijk "melkstaafje" (lactis = melk, bacillus = staafje). Het zijn niet-sporulerende grampositieve staafjes. De bacteriën hebben complexe nutritionele vereisten voor aminozuren, peptiden, nucleïnezuurderivaten, vitamines, zouten, vetzuren en vergistbare suikers. Deze vereisten zijn meestal specie specifiek. De groei temperatuur ligt tussen 2°C en 53°C, de optima meestal tussen 30°C en 40°C. Lactobacilli zijn micro-aerofiel tot anaëroob, de meeste zijn echter wel aerotolerant. Ze zijn zuurresistent, de optimum pH ligt meestal tussen 5,5 en 6,2. Groei bij een pH van 5,0 is normaal. In neutrale of licht alkalische milieus wordt de groei onderdrukt. Zij behouden hun activiteit tot een pH 3,5.
Ze worden hoofdzakelijk ingedeeld in twee verschillende groepen :
De twee verschillende groepen van melkzuurbacteriën zullen elk een bijdrage leveren tot de smaak van het brood. Belangrijk om op te merken is dat melkzuurbacteriën niet noodzakelijk een zure smaak geven aan brood. De smaak is afhankelijk van de dominante groep melkzuurbacteriën in het gistingsproces. Het kiemgetal voor melkzuurbacteriën in een volledig afgewerkte zuurdesem bedraagt gemiddeld 2.108 tot 6.109 cellen per gram.

De voornaamste geslachten melkzuurbacteriën zijn :
Lactobacilli hebben een fermentatief metabolisme. Minstens de helft van het eindproduct is melkzuur dat niet verder gemetaboliseerd wordt. Als heterofermentatieve stofwisselingsproducten worden naast melkzuur ook azijnzuur, ethanol, koolstofdioxide, mierenzuur en wijnsteenzuur gevormd.
Melkzuurbacteriën hebben ook mineralen en sporenelementen nodig voor hun ontwikkeling. De meest noodzakelijke zijn K+, Na+, Ca2+, Mn2+, fosfaat en sulfaat. Dit verklaart de intensieve bacteriële groei in media met een hoog asgehalte.
Naast de nuttige melkzuurbacteriën kunnen ook ongewenste micro-organismen tot ontwikkeling komen. Deze hebben een negatieve invloed op de zuurdesem. Door de vorming van hun stofwisselingsproducten veroorzaken ze een slechte smaak of minder goede baktechnische eigenschappen. Zo kan de vorming van propionzuur en boterzuur nadelig zijn voor de melkzuurvorming. Een teveel aan citraat, pyruvaat en oxaalacetaat kan gepaard gaan met bederf.
De schadelijke melkzuurbacteriën kunnen zowel staafjes als coccen zijn die in de bloem kunnen voorkomen. De meest voorkomende zijn :
Voordelen van het gebruik van zuurdesem
Brood maken met zuurdeeg is niets voor goedbedoelende amateurs. Het is een proces dat moeilijk in de hand te houden is en dat veel vakmanschap en discipline vereist om steeds hetzelfde product te kunnen maken. Het gebruik ervan heeft echter een paar zeer grote voordelen:
Brood maken met zuurdesem heeft ook een paar nadelen.
Microbiologische samenstelling van zuurdesem
Zuurdesems zijn grondig bestudeerd geweest vanuit een microbiologisch standpunt. Men onderscheidt in de flora van zuurdesem vier verschillende soorten: Streptococcus, Leuconostoc, Pediococcus en Lactobacillus. In de talrijke studies over de microflora in zuurdesem zijn veel verschillende stammen van melkzuurbacteriën geïsoleerd en beschreven. De dominerende melkzuurbacteriën in een zuurdesem behoren tot het genus Lactobacillus (vooral L. brevis, L. casei, L. delbruckii, L. fermentum, L. plantarum, L. sanfranciscensis). Andere geïsoleerde species zijn: Pediococcus acidilactici, P. pentosaceus, Leuconostoc mesenteroides en Streptococcus sp. Deze laatste worden na een aantal opfrissingen uitgedreven via natuurlijke selectie. In het zure milieu hebben de lactobacilli door hun hogere zuurtolerantie een selectief voordeel tegenover de andere melkzuurbacteriën.

Het valt toch op hoe zuurdesems toch geografisch gebonden zijn. Zo heeft men bijvoorbeeld nog nooit de typisch Franse gisten in een Italiaanse zuurdesem aangetroffen en vindt men eigenaardig genoeg de Saccharomyces exigus, die zo typisch is voor zuurdesem uit San Francisco terug in Italiaanse zuurdesems.
| Zuurdesem | Gisten | Melkzuurbacteriën |
| San Francisco | Candida milleri | L. sanfranciscensis |
| Shangak (Iran) | T. candida T. colliculosa |
L. plantarum L. brevis P. cerevisiae |
| Duitse zuurdesems | C. krusei S. cerevisiae |
L. acidophilus L. casei L. plantarum L. brevis L. buchneri L. fermentum |
| Franse zuurdesems | C. tropicalis C holmii S. daïrensis |
L. acidophilus L. delbruckii P. cerevisiae L. brevis L. buchneri L. fermentum |
| Finse zuurdesems | C holmii S. cerevisiae |
L. acidophilus L. plantarum |
| Italiaanse zuurdesems | S. fragilis S. cerevisiae S. exigus |
L. brevis L. plantarum Leuconostoc L. sanfranciscencis |
In de voorgaande tabel is er ook sprake van Finse zuurdegen. Inderdaad, ook in de Scandinavische landen wordt er heel veel zuurdesem gebruikt. Ook al omdat er in die landen veel roggebrood geproduceerd wordt. In Zweden en in Finland heeft men ook de gewoonte eerst de bloem met het water te verwarmen tot ongeveer 80°C. Ook in Rusland wordt die procédé gevolgd. In Duitsland komt het ook wel voor en men spreekt van "Aromastück" of "Kochstück". Men doet dit omwille van de volgende overwegingen :
Karakteriseren van zuurdesem
Om een zuurdesem te karakteriseren gaat men meestal volgende parameters meten :
De titreerbare zuren worden met de volgende gestandaardiseerde methode bepaald. Men neemt een hoeveelheid zuurdesem die overeenkomt met 5 g bloem. Men gaat dus 7,5 g zuurdesem nemen als hij gemaakt is op basis van 10 kg bloem + 5 kg water en 10 g als hij gemaakt is van 10 kg bloem + 10 kg water. Het monster wordt homogeen vermengd met 100 ml gedistilleerd water en 5 ml aceton. Daarna wordt de oplossing getitreerd met NaOH 0,1 N tot een pH van 8,5. De hoeveelheid ml NaOH 0,1 N wordt gerapporteerd.
Aroma van brood
Brood bevat een 300-tal vluchtige verbindingen. De meeste daarvan zijn onbekend en slechts een gering aantal zijn spelen een belangrijke rol in het smaakprofiel van brood.
Het geroosterde aroma in de korst wordt voornamelijk veroorzaakt door 2-acetylpyroline. Daarnaast heeft men 13 vluchtige componenten kunnen identificeren die in grote mate het aroma van de kruim beïnvloeden. Deze componenten worden in de kruim gevormd door :
Hieruit blijkt duidelijk dat de aminozuren, aanwezig in de bloem, een belangrijke invloed hebben op het aroma van het brood.
In het algemeen kan men stellen dat tijdens een fermentatie met mzb de hoeveelheid vrije aminozuren in de zuurdesem gaat stijgen, terwijl bij een vergisting met gist, ze gaan dalen. De reden hiervoor moet gezocht worden bij de proteolytische activiteit van de enzymen. En – zoals voldoende bekend – iedere enzymatische activiteit is sterk afhankelijk van het substraat en van de temperatuur.
Tot op de dag van vandaag is het echter nog altijd niet duidelijk of de proteolyse (afbraak van eiwitten in aminozuren) moet toegeschreven worden aan :
Ik wil er trouwens wel op wijzen dat de bakker een te hoge proteolytische activiteit in het deeg kan missen als kiespijn aangezien deze de rheologische eigenschappen van het deeg grondig gaat beïnvloeden. Het is bekend dat onder invloed van het verzuren de gluten een meer amorfe structuur krijgen waardoor de rheologische eigenschappen van het deeg beïnvloed worden. Zowel de elasticiteit als de viscositeit van de zuurdesem verandert.
Natuurlijk gaan ook de organische zuren die gevormd worden tijdens het rijsproces, de smaak van het brood bepalen.
De organische zuren die aanwezig zijn in het deeg zijn stofwisselingsproducten van de melkzuurbacteriën. In hoofdzaak worden melkzuur en azijnzuur geproduceerd. Andere organische zuren die geproduceerd worden zijn: propionzuur, boterzuur, isoboterzuur en valeriaanzuur. Deze zuren zijn verantwoordelijk voor de zuurheid en de pH maar bepalen in hoofdzaak de smaak van het afgewerkt product. Melkzuur en azijnzuur hebben een grote invloed op het aroma en de smaak van het eindproduct. Bovendien verhinderen zij het ontstaan van microbiële contaminatie en de enzymatische afbraak van de aanwezige suikers.
Melkzuur heeft een verzurende functie en zorgt voor een mild zure smaak. Het zorgt bovendien voor een stabiel deeg door de peptidatie van de wateroplosbare eiwitten. Azijnzuur heeft een organoleptische functie en zorgt voor een verandering de smaakbeleving. Een te hoog gehalte azijnzuur is nefast voor de zuurdesem. Het geeft een onaangename smaak en een te scherpe geur aan het brood. De productie van organische zuren is mogelijk tot ongeveer pH 4. Bij een lagere pH worden de bacteriën geremd door hun stofwisselingsproducten.
Het verloop van de verzuring in het deeg kan weergegeven worden in een verzuringcurve. Deze curve vertoont een gelijkaardig verloop als de groeicurve van de micro-organismen. De snelle aangroei van de micro-organismen in de exponentiële fase zorgt voor een grote toename van de verzuring. Wanneer een desem rijp is zal de zuurtegraad nauwelijks nog wijzigen. Controle van de zuurtegraad is dus een goede richtparameter om de rijpheid van de desem na te gaan.
Er zijn verschillende maten in gebruik om de hoeveelheid zuur in de zuurdesem aan te duiden. De meest gebruikte zijn de totale titreerbare zuren (ttz) en de pH-waarde. De ttz worden bepaald via titratie met NaOH (zie methode hierboven).
In 1959 definieerde Rohrlich het fermentatiequotiënt (FQ). Dit is de verhouding melkzuur (molmassa = 90) op azijnzuur (molmassa = 60). Deze verhouding heeft gevolgen voor de smaak en voor de rheologische karakteristieken van het deeg. Een laag FQ wijst op een evenwicht tussen het gehalte melkzuur en azijnzuur. Een hoog FQ betekent dat er hoofdzakelijk melkzuur gevormd werd. Het FQ is afhankelijk van de soort bacteriën die aanwezig zijn (homofermentatie en/of heterofermentatief) maar ook van de procesparameters zoals temperatuur, type bloem, aeratie. De relatieve verhouding van melkzuur op azijnzuur bedraagt in een standaard zuurdesem ongeveer 4,0 tot 5,5 (Stear, Handbook of breadmaking technology, Elsevier, p. 843).
In een goede zuurdesem is de verhouding melkzuur - azijnzuur ongeveer 80 à 85 % melkzuur en 15 à 20 % azijnzuur. De hoeveelheid zuur gaat de hydrolyse van het zetmeel beïnvloeden. Melkzuur bevordert de cohesie in het deeg en geeft lekker aromatisch brood. Azijnzuur echter heeft een eerder negatieve invloed als de concentratie te hoog wordt (scherpe niet lekkere smaak en de giststerfte wordt versneld). Anderzijds is azijnzuur vluchtiger dan melkzuur en gaat het dus ook vlugger waargenomen worden.
Ten slotte nog een bijkomende overweging nl. azijnzuur is ook een antimicrobiële stof die de ontwikkeling van B. mesentericus (leng) gaat tegengaan. Vanuit dit oogpunt is het zelf wenselijk dat er een hoeveelheid azijnzuur gevormd wordt.
Beoordeling van het aroma van brood
Om het aroma van brood te beoordelen moet men een expert zijn. Zoals bij het proeven en beoordelen van wijn kan men zich bekwamen in het proeven en beoordelen van het aroma van brood. Hierbij kan men organoleptische ervaringen indelen in een aantal aspecten :
Productie van zuurdesem
Door de automatisatie van de productielijnen werd er steeds meer en meer bakkersgist gebruikt. Het aanmaken van een natuurlijke zuurdesem vereiste vakmanschap. Industriële gist was een veel gemakkelijkere manier om het proces onder controle te houden. Tegelijkertijd ging echter een aantal voordelen van het gebruik van zuurdesem verloren.
Het gebruik van zuurdesem komt in het zuiden van Europa (Italië, Griekenland, Turkije) vrij veel voor. De reden hiervoor is niet ver te zoeken. De tarwe waarover men in deze landen beschikte had geen goede bakaard. Door gebruik te maken van zuurdesem en lang rijsproces, kon men toch nog een kwalitatief hoogstaand product verkrijgen. Dit is trouwens de reden waarom men in deze landen platte broden (ciabatta, pinakoti, pide enz.) vindt. De bakaard van de tarwe was van dien aard dat men slechts met moeite een volumineus brood kon maken. Hetzelfde geldt uiteraard voor producten gemaakt van degen met veel vet en suiker zoals croissants, panetone enz.
Ook in Duitsland is het gebruik van zuurdesem wijd verspreid. De reden hiervoor is echter een andere dan in het zuiden van Europa. In Duitsland, maar ook in de Scandinavische landen, de Baltische staten en Rusland wordt veel roggebrood gebakken. Rogge bevat echter weinig of geen gluten en men kan dus van rogge geen brood bakken zoals men dat van tarwe kan. Om van roggemeel een samenhangend geheel te maken heeft men een lage pH nodig. Deze wordt bereikt door gebruik te maken van zuurdesem.
Hoe dan ook er bestaat geen "unieke" methode om zuurdesem te maken. Er volgen een paar voorbeelden van hoe men het meestal doet in Duitsland, Frankrijk of Italië. Het is echter zo dat iedere bakker wel zijn eigen methode heeft en die ook meestal angstvallig geheim houdt.
De meeste niet ingewijden hebben ook problemen met de zogenaamde "starter" of "Anstellgut" zoals het in het Duits genoemd wordt. Daar is hoegenaamd geen hocus-pocus mee gemoeid en iedereen kan een starter maken door bijvoorbeeld twee delen bloem met één deel water te vermengen. Het mengsel wordt bedekt met een doek en bewaard op een warme plaats. 's Anderendaags gooit men 3/4de van met mengsel weg. Het overblijvende vierde voegt men toe aan een vers mengsel bestaande uit twee delen bloem en één deel water. Deze bewerking herhaalt men gedurende 3 tot 5 dagen en dan heeft men zijn eigen starter gemaakt.
In dit geval heeft men o.a. gebruikt gemaakt van de wild gisten die in de keuken of in de bakkerij rondzweven en de microbiële flora van de bloem. Het probleem hierbij is dat men niet altijd zeker is of de gisten die men op die manier gecapteerd heeft al dan niet in staat zullen zijn het brood te doen rijzen. Vandaar dat het gemakkelijker is zelf een paar grammen bakkersgist of mzb toe te voegen aan het mengsel.
Duitse methode
De Duitsers praten over TA. Dit staat voor "Teigausbeute". Een TA = 150 betekent dat men 100 delen bloem gebruikt heeft en 50 delen water. Een TA van 250 betekent 100 delen bloem en 150 delen water enz.
Roggebrood kan als volgt gemaakt worden :
1ste stap : bereiding van de "Grundsauer".
1,000 kg Anstellgut + 16,000 kg roggemeel + 8,000 kg water = 25,000 kg Grundsauer
TA = 150
temperatuur : 22 – 26°C
rusttijd : 15 - 24 uur
2de stap : bereiding van de "Vollsaurer"
24,000 kg Grundsauer + 24,000 kg roggemeel + 24,000 kg water = 72,000 kg Vollsauer
TA = 180
temperatuur : 28 - 32°C
rusttijd : 2,5 – 3,5 uur
opmerking : er werd dus 1 kg van de Grundsauer weggezet die 's anderendaags dient om het gehele proces te
herbeginnen.
3destap : bereiding van het deeg
72,000 kg Vollsauer + 60,000 kg roggemeel + 33,000 kg water + 1,8 kg zout + 1,5 kg gist = 168,300 kg deeg
TA = 165
temperatuur : 27°C
Op deze traditionele werkwijze zijn een aantal varianten ontwikkeld o.a. de "Berliner Kurzsauer" en "Detmolder Einstufenführung".
Berliner Kurzsauer
1ste stap : bereiding van de Kurzsauer
8,000 kg Anstellgut + 40,000 kg roggemeel + 36,000 kg water = 84,000 kg Kurzsauer
TA = 190
temperatuur : 36°C
rusttijd : 3 uur
2de stap : bereiding van het deeg
76,000 kg Kurzsauer + 60,000 kg roggemeel + 24,000 kg water + 1,800 kg zout + 1,800 kg gist = 163,600 kg deeg
TA = 160
temperatuur = 27°C
opmerking : men heeft terug 8,000 kg van de Kurzsauer opzij gezet die dan 's anderendaags het Anstellgut wordt voor een nieuwe Kurzsauer.
Detmolder Einstufenführung
1ste stap: bereiding van de Detmolder Sauer
5,600 kg Anstellgut + 28,000 kg roggemeel + 22,400 kg water = 56,000 kg Sauerteig
TA = 180
temperatuur = 23°C
rusttijd : 15 - 20 uur
2de stap: bereiding van het deeg
50,400 kg Sauerteig + 42,000 kg roggemeel + 30,000 kg tarwebloem + 42,600 water + 1,800 kg zout + 1,800 kg gist = 168,600 kg deeg
TA = 165
temperatuur : 28°C
Franse methode
De Fransen houden altijd een stuk oud deeg over van de vorige dag. Daar wordt dan water en bloem aan toegevoegd. Een Franse levain bevat altijd een hoeveelheid gist. De meeste Franse bakkers maken stokbrood met zuurdesem. Er bestaat trouwens een specifieke wetgeving omtrent. Een "pain au levain" moet uitsluitend met zuurdesem gemaakt worden. Het is ook zo dat men in Frankrijk veel goed maar ook veel slecht frans brood vindt. Veel bakkers in Frankrijk nemen het niet zo nauw met de "regels van de kunst" maar zullen toch een grote mond opzetten als het over de kwaliteit van HUN stokbrood gaat. Het grote excuus wordt dan: "Je suis quand même maître boulanger".
1ste stap: bereiding van de levain
0,750 kg oud deeg + 3,000 kg tarwebloem + 1,500 kg water = 5,250 kg levain
temperatuur : 25°C
rusttijd : 5 à 6 uur
2de stap: bereiding deeg voor "baguette tradition"
20,000 kg tarwebloem + 1,500 kg roggebloem + 13,250 kg water + 5,250 kg levain + 0,450 kg zout + 0,100 kg gist = 40,550 kg deeg
temperatuur : 25°C
kuiprijs : 30'
stukrijs : 20'
langmaken
narijs : 2,5 à 3 uur
opmerking : van dit deeg gaat men 0,750 kg overhouden om 's anderendaags opnieuw levain te maken.
Italiaanse methode
In het Italiaans spreekt men over "lievito naturale" of "lievito di pasta acida" die gemaakt wordt vertrekkende van een "madre".
Deze wordt meestal gemaakt van het water waarin men zemelen heeft laten weken. Men gaat 125 g zemelen vermengen met anderhalve liter water van 38°C en men gaat de zemelen ongeveer 30 minuten laten weken in het water. Het mengsel wordt gefilterd. Aan 300 ml van dit water voegt men 600 g bloem toe en 3 g zout. Het zout blokkeert de proteolytische activiteit van de enzymen. Het geheel wordt tot een deeg gekneed en daarna gaat men om de 24 uur, dus elke dag (zaterdag, zondag en feestdagen inbegrepen) en voor eeuwig en altijd aan 300 g van dit deeg 600 g bloem toevoegen en 150 ml water. Op die manier houdt men de "madre" in stand. Meestal gaat men – als voorzorgsmaatregel - enkele stukken in diepvries bewaren voor het geval er een infectie zou ontstaan in de startkultuur.
Daarna gaat men het brood maken op de volgende manier :
1ste stap: primo rinfresco
1,000 kg madre + 4,00 kg bloem + 2,000 kg water = 7,000 kg
temperatuur : 27°C
rusttijd : 6 à 8 uur
2de stap: secondo rinfresco, lievito naturale
7,000 kg vorige fase + 14,000 kg bloem + 7,000 kg water = 28,000 kg lievito naturale
temperatuur : 27°C
rusttijd : 5 à 6 uur
3de stap: maken van het brooddeeg
28,000 kg lievito naturale + 86,000 kg bloem + 54,000 kg water + 1,800 zout = 169,800 kg deeg.
Aan het deeg wordt meestal ook nog een flinke portie reuzel (strutto) toegevoegd. Reuzel is in een aantal streken van Italië nog zeer populair. In andere streken voegt men soms olijfolie toe.
San Francisco zuurdesem
De zuurdesem in de baai van San Francisco is bekend over de gehele wereld en hij wordt in principe gemaakt volgens de Franse methode. In deze zuurdesem vindt men twee micro-organismen terug : L. sanfranciscensis (melkzuurbacterie) en Candida milleri (gist). L. sanfranciscensis is trouwens een van de meest veelvuldig bestudeerde mzb. De mzb heeft voor zijn metabolisme maltose nodig en kan geen andere suikers vergisten. De C. milleri echter kan maltose niet vergisten en alle andere suikers wel. Dus de ene heeft precies die voedingsbron nodig die de andere links laat liggen. Op de koop toe gaat L. sanfranciscensis een antimicrobiële stof ontwikkelen (cycloheximide) die de groei van andere micro-organismen gaat af remmen. Frappant aan deze situatie is, dat de mzb slechts dan de cycloheximide zal gaan produceren als C. milleri aanwezig is en deze laatste is uiteraard immuun voor deze antimicrobiële stof. Deze twee micro-organismen hebben dus een zeer bijzondere en stabiele symbiotische relatie opgebouwd dieer voor zorgt dat de San Francisco zuurdesem blijft bestaan.
Factoren die een invloed hebben op de smaakontwikkeling in en rheologische eigenschappen van zuurdesem
Type bloem
Uit wat vooraf ging ligt het voor de hand dat de bloem die men gebruikt voor het maken van de zuurdesem een belangrijke invloed zal hebben op de eigenschappen van die zuurdesem.
En het gaat niet alleen over het type bloem (tarwe of rogge) maar ook over de kwaliteit van de bloem (hoeveelheid beschadigd zetmeel, grannulometrie,uitmalingsgraad en asgehalte). Op de koop toe kan beide types mengen in alle mogelijke verhoudingen. Trouwens wat hier belangrijk is, is de voedingsbron voor de micro-organismen. Zelf heb ik nog experimenten gedaan met the toevoegen van aardappelvlokken of dextrinen afkomstig van rijst of maïs. Al deze wijzigingen geven een ander smaakprofiel aan het brood. Ook de houdbaarheid (malsheid) gaat veranderen.
Er zijn talloze studies gebeurd op de aromavorming in zuurdesem en de rol die de bloem daarbij speelt. De volgende tabel is maar het resultaat van één van die studies en illustreert alleen maar hoezeer de samenstelling van de vluchtige stoffen verandert in functie van de bloem. Bij deze studie werd volkoren meel vergeleken met witte bloem.
De getallen geven de verdunningsfactor (VF) aan d.w.z. hoeveel keer men het extract kon verdunnen en toch nog sensoriëel kon vaststellen dat de onderzochte stof aanwezig was in het extract.
| Vluchtige component | Doet denken aan | VF volkoren | VF witte bloem |
| (E,E)-2,4-nonadienal | vettig gefrituurd | 512 | 4 |
| phenylacetaldehyde | boenwas | 256 | 4 |
| methional | gekookte aardappelen | 1024 | 16 |
| (E,E)-2,4-decadienal | vettig, gefrituurd | 512 | 16 |
| 4-vinyl-2-methoxyphenol | kruidnagel | 512 | 16 |
| 3-hydroxy-4,5-dimethyl-2-furanon | zweet | 4096 | 256 |
| (E)-4,5-exposy-(E)-2-decanal | metaal | 4096 | 64 |
| (E,Z)-2,6-nonadienol | komkommer | 1024 | 64 |
| vanilline | vanille | 1024 | 64 |
| 2,3-methyl-1-butanol | zweet | 256 | 16 |
In broodkeuringen wordt het aroma van brood gemaakt met zuurdesem op basis van volkoren meel als "zuurder, moutiger en meer gefrituurd" omschreven. Zoals blijkt uit de tabel zijn in beide broden precies dezelfde componenten aanwezig maar de verhouding waarin ze aanwezig zijn is totaal verschillend.
De temperatuur
Micro-organismen hebben een optimum temperatuur waarbij zij het snelst groeien en bij die optimale temperatuur verloopt hun metabolisme sneller. Hierdoor zullen uiteraard minder of meer aromatische componenten gevormd worden.
Het soort micro-organisme
L. sanfranciscensis en L. fermentum zijn heterofermentatief, terwijl L. alimentarius homofermentatief is. Het verschil tussen homofermentatief (produceren uitsluitend melkzuur) en heterofermentatief (produceren ook ethanol en diverse andere vluchtige stoffen).
Zuurdesems met een TA=150 werden geinocculeerd met een welbepaald micro-organisme. Na rijping (24 uur bij 32°C) werd een analyse met de gaschromatograaf van de vluchtige bestanddelen gedaan en die gaf de volgende resultaten.
| Vluchtige component | L. sanfranciscensis | L. fermentum | L. alimentarum |
| ethannol | 18.200 | 5.700 | 23 |
| n-pentanol | 52 | 89 | 166 |
| n-hexanol | 290 | 423 | 384 |
| ethylacetaat | 10.400 | 4.960 | 17 |
| ethyllactaat | 31 | 12 | 8 |
| 2,3-methyl-1-butanol | 31 | 34 | 98 |
Resultaten zijn uitgedrukt in "relatieve piek oppervlakte" = (piek oppervlakte van de vluchtige component x 100) /(piek oppervlakte van de interne standaard stof).
Consistentie van de zuurdesem
De hoeveelheid water aanwezig speelt een belangrijke rol. Volgende tabel geeft aan wat het verschil is in de concentratie van een aantal vluchtige componenten in functie van de TA. In beide gevallen worden de resultaten van L. sanfranciscensis gerapporteerd.
| Vluchtige component | TA = 150 | TA = 300 |
| ethannol | 18.200 | 8.471 |
| n-pentanol | 52 | 49 |
| n-hexanol | 290 | 373 |
| ethylacetaat | 10.400 | 1.096 |
| ethyllactaat | 31 | 8 |
| 2,3-methyl-1-butanol | 31 | 18 |
De hoeveelheid titreerbare zuren is lager bij een TA = 300 dan bij een TA = 150. Als men dit echter terugrekent in functie van de hoeveelheid meel dan is de hoeveelheid titreerbare zuren lager bij een TA = 150.
De rijpingsduur
De tijdspanne gedurende welke men de micro-organismen gaat laten inwerken op het substraat, gaat een invloed hebben op de pH. Hoewel, zoals hoger al vermeld, er een moment komt dat de verzuring stopt. De lage pH (3,8 - 4,0) remt de melkzuurbacteriën.
De pH geeft indicatie van de zuurachtige smaak en geur van een brood. Het volgend overzicht geeft de relatie weer tussen de pH van de kruim en de organoleptische beoordeling:
Bij te lage pH waarden gaat het deeg beginnen plakken. Zo zijn degen met een pH van bijvoorbeeld 3,8 machinaal niet te verwerken. Het is natuurlijk niet zo dat de pH van het deeg te laag zal worden als de pH van het zetsel laag is. Bij gebruik van een zetsel met pH 4,7 zal het deeg onmiddellijk na het kneden nog steeds een pH van ongeveer 5,5 hebben.
Commercieel beschikbare zuurdesems
Een aantal grondstoffabrikanten bieden tegenwoordig zuurdesems aan die op een industriële manier bereid zijn. Zoals bij de meeste van die zaken zit er veel kaf tussen het koren. Ik wil op de eerste plaats een lans breken om de bakker aan te sporen terug zelf zijn zuurdesem te maken. Zo moeilijk is het nu ook weer niet. Het vergt alleen zorgzaam vakmanschap. Commerciële zuurdesems worden in grote lijnen gemaakt zoals een ambachtelijk zuurdesem. Na het beëindigen van de rijpingsfase worden zij meestal gedroogd en vermalen. Sommige worden niet gedroogd maar verdund om als vloeibaar zuurdesem verkocht te worden. Hoe dan ook, de meeste commercieel beschikbare zuurdesems hebben de eigenschap van minder goed verteerbaar te zijn. De oorzaak hiervan is dat zij meestal - naast de zuurdesem zelf - een aantal toevoegingen bevatten om het zaakje te stabiliseren of om steeds een bepaalde zuurtegraad te hebben. Dit laatste wordt meestal bereikt door het toevoegen van chemische zuren, die weliswaar de zelfde chemische formule hebben als de zuren gevormd tijdens de productie van zuurdesem, maar die dus niet op een natuurlijke manier gevormd zijn. Er zijn echter ook grondstoffen fabrikanten die het proces héél goed onder controle hebben en zich niet moeten behelpen met allerlei hulpmiddeltjes om een stabiel product te verkijgen.
Een van de voordelen van industriëel gemaakte zuurdesem is dat men verschillende soorten zuurdesems kan gebruiken en op die manier unieke broden produceren met een bijzonder smaakprofiel.
Poolish
In het jaar 1840 werd in Polen voor de eerste maal gewag gemaakt van degen bereid met een poolish. Het waren echter terug de Weense bakkers die in dezelfde eeuw deze techniek aan de Parijse bakkers aanleerden tijdens een demonstratie. Het waren trouwens ook de Weense bakkers die croissants uitvonden en niet de Franse bakkers.
Hoewel een poolish voor alle degen makkelijk toepasbaar is, is het gebruik ervan niet altijd aangewezen. Producten gemaakt met een poolish krijgen typische kenmerken. Het brood zal een krokantere korst hebben en een onregelmatige kruim met relatief grote gaten. Het smaakt minder zuur dan brood gemaakt met zuurdesem. Trouwens het al dan niet zuur smaken van het brood kan men sturen door de hoeveelheid poolish die men toevoegt enerzijds en uiteraard ook door de zuurtegraad van poolish zelf. Fijnproevers zullen in de smaak een subtiel notenaroma ontdekken. Degen die gekneed zijn met een poolish zijn soepel en laten zich gemakkelijker langsteken in het geval van een stokbrood. Dit verschijnsel is te wijten aan de gedeeltelijke afbraak van het glutennetwerk door het gebruik van poolish. Het gebruik van poolish was een beetje in onbruik geraakt maar kent op dit ogenblik een "revival" omdat men toch terug wil naar het brood van weleer.
Poolish wordt meestal aangemaakt uit evenveel water als bloem waaraan men een hoeveelheid gist gaat toevoegen. De hoeveelheid gist die men toevoegt hangt af van de duur van rijpingsproces. Meestal laat men de poolish 1 à 4 uur rijpen hoewel het ook langer kan. Het rijpen vindt meestal plaats bij 32°C en daarna wordt de poolish gekoeld tot ongeveer 4 - 8°C. Naargelang de hoeveelheid gist die men in de poolish gebruikt gaat men nog of juist niet, gist toevoegen aan het deeg.
©1995 - 2008 by Classo Foods.