
1. De
grondstoffen
1.1.
Tarwebloem & roggemeel
De
tarwekorrel is opgebouwd uit een meellichaam, wandlagen en de kiem. De kiem is
rijk aan olie en bevat ook veel vitaminen. Het meellichaam of endosperm is rijk
aan zetmeel en het bevat het eiwit dat bij het kneden gluten vormt. Om het
endosperm bevinden zich de wandlagen. De wandlagen, die met elkaar vergroeid
zijn, worden van het meellichaam gescheiden door de zogenaamde aleuronlaag. De
wandlagen bevatten veel vezelstoffen. De aleuronlaag is rijk aan eiwit en aan
vitaminen.
Het
doel van het malen van de tarwe is het scheiden van het endosperm enerzijds en
de wandlagen en kiemen anderzijds. Het meellichaam wordt verkleind tot bloem,
de wandlagen en de kiemen leveren bij vermalen de zogenaamde zemelen.
In de molen gebeurt het vermalen trapsgewijze. Om
volledig vermalen te worden passeert het maalgoed zo'n 20 paar walsen. De
eerste vijf à zes walsenparen zijn geribbeld en hebben tot doel de korrel open
te breken en aparte brokjes endosperm (ook griezen genoemd) en zemeldeeltjes te
produceren. Men noemt dit het schroten. Na elke doorgang wordt er gezeefd in
zogenaamde plansifters, waarbij de bloem steeds afgescheiden wordt van de
verder te vermalen deeltjes. Verder in het maalproces worden de min of meer
zuivere stukjes endosperm op gladde walsen verder tot bloem verkleind. Men
noemt dit het uitmalen.
In
principe ontstaat dus na elke maalpassage en het daarop volgende zeven, bloem.
Omdat er zo'n 20-tal passages zijn, zullen er ook 20 bloemfracties ontstaan,
die in allerlei eigenschappen zoals eiwitgehalte, asgehalte, vezelgehalte
enzovoort zullen verschillen. Men karakteriseert deze fracties naar het
asgehalte. Bloem van de eerste uitmaalpassage heeft een laag asgehalte. Bij het
samenstellen van een bepaalde bloem- of meelkwaliteit worden deze asgehalten
meestal als richtsnoer gebruikt. Volkorenmeel is samengesteld uit de gehele
tarwekorrel, het asgehalte is dan hetzelfde als dat van de tarwe (circa 1,8 %).
Naarmate het aandeel van de wandlagen in het maalproduct afneemt, daalt het
asgehalte. Het laagst is het asgehalte van de zogenaamde patentbloem (0,46 %). Patentbloem
bestaat voornamelijk uit het binnenste deel van het meellichaam.
Een
hogere uitmalingsgraad gaat wel gepaard met een hogere wateropname. De oorzaak
hiervan is dat de vezelstoffen waaraan zemelen rijk zijn tamelijk veel water
absorberen.
Ook
het eiwitgehalte gaat stijgen naarmate de uitmaling hoger is. Dit komt vooral
omdat de buitenlagen heel wat meer eiwit bevatten dan de meer naar binnen
gelegen lagen. Vooral in en onder de aleuronlaag is het eiwitgehalte zeer hoog.
Het hogere eiwitgehalte heeft echter geen verbeterend effect op de bakaard van
de bloem. De reden hiervoor is dat het eiwit uit de aleuronlaag bij de
deegbereiding geen gluten vormt en dus geen bijdrage levert aan de bakaard.
De
tarwekorrel bestaat voor 8 tot 15 % uit eiwit. De eiwitten bevinden zich tussen
de zetmeelkorrels terwijl ze ook als een dunnen laag de zetmeelkorrels
omsluiten. Tarwe eiwit bestaat uit een zeer grote verscheidenheid van soorten
moleculen, die in eigenschappen sterk kunnen verschillen. De voornaamste zijn:
De
eerste twee vormen zo'n 20 % van de totale hoeveelheid eiwit, terwijl het
glutenine en gliadine het overige 80 % vormen. Het zijn deze laatste twee
fracties die tijdens het kneden het gluten gaan vormen. Dat is een netwerk van
eiwitmoleculen dat verantwoordelijk is voor het uitzonderlijke gashoudend
vermogen dat het deeg van tarwebloem kenmerkt. De proteïnen in bloem zijn dus
op te delen in albuminen en globulinen die oplosbaar zijn in zoutoplossingen en
gluteninen en gliadinen die onoplosbaar zijn. De gliadinen zijn kleinere
proteïnen en bevatten intramoleculaire disulfidebindingen. De gluteninen hebben
een hoger moleculair gewicht en bestaan uit polypeptide subeenheden die aan
elkaar gebonden zijn via intermoleculaire disulfidebindingen. Gehydrateerde
gluteninen vormen een stevig elastisch materiaal, gehydrateerde gliadinen zijn
viskeus. Beide zijn dus noodzakelijk om aan het deeg visco-elastische
eigenschappen te geven die noodzakelijk zijn voor een goede broodkwaliteit
Maar
de hoeveelheid aanwezig eiwit zegt nog niets over de kwaliteit van het eiwit.
De bakker praat over de bakaard van de bloem. Een bloem met bijvoorbeeld 12 %
eiwit, gemalen van Europese tarwe zal over het algemeen slechter bakken dan een
bloem met dezelfde hoeveelheid eiwit gemalen van Amerikaanse tarwe. Dit vindt
vooral zijn oorzaak in de verschillende variëteiten die er geteeld worden in
Europa en in de Verenigde Staten.
In
de praktijk zullen voor de bereiding van bloem steeds die grondstoffen
geselecteerd worden die het meest geschikt zijn voor een welbepaalde
toepassing. Bloemsoorten met een laag eiwitgehalte of met een slechte
eiwitkwaliteit zullen daarom weinig of niet voor de broodbereiding gebruikt
worden. Met deze bloemsoorten blijft de broodkwaliteit beneden maats. Wel
kunnen ze gebruikt worden in toepassingen waar de glutenontwikkeling geen rol
van betekenis speelt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij biscuit of koekjes.
Daar wordt in veel gevallen bloem gebruikt met een eiwitgehalte van 10 % of
lager.
Voor
de bereiding van de meeste broodsoorten worden bloemsoorten toegepast met een
eiwitgehalte tussen 11 en 13 %. Voor speciale toepassingen zoals beschuit, zal
men bloemsoorten gebruiken met een eiwitgehalte van circa 15 - 16 %.
Er bestaan ook zogenaamde meelverbetermiddelen.
Een aantal stoffen verbeteren de bakaard van de bloem. Bij gebruik ervan wordt
het deeg standiger, is de ovenwerking groter en ontstaat er een fijnere
kruimstructuur. Deze stoffen worden ook wel eens glutenverstevigers genoemd. De
verbetering van de deegeigenschappen is vooral van belang bij mechanische
bewerkingen. Het grotere volume en de fijnere kruim hebben vooral invloed op de
eeteigenschappen van het brood. Het wordt malser en minder kruimelig.
Alle
meelverbeteraars zijn oxidatiemiddelen d.w.z. dat ze bij reactie zuurstof
afgeven. Deze zuurstof reageert met de eiwitten van de bloem. Hoe dat precies
in zijn werk gaat is nog niet in alle details bekend.
We
kunnen de werking van de meelverbeteraars vergelijken met wat er gebeurt bij
het bewaren van bloem. Het is een gekend fenomeen dat de bakaard van de bloem
verbetert als ze enige tijd na het malen wordt bewaard. Dit wordt ook
toegeschreven aan de oxidatie van de eiwitten, waarbij in dit geval de zuurstof
uit de lucht als oxidatiemiddel fungeert. Tegenwoordig wordt de bloem al
gebruikt één week na het malen waardoor ze niet de tijd krijgt om te rijpen.
Daarenboven is de verbetering door natuurlijke oxidatie eerder gering in
vergelijking met de werking van meelverbetermiddelen. Bij te ver gaande
oxidatie door een te hoge toevoeging wordt het deeg te standig. Het wordt stug
en moeilijk verwerkbaar.
Vroeger
werd er vooral in de Verenigde Staten kaliumbromaat gebruikt als
oxidatiemiddel. Het is het meest effectieve middel van alle meelverbeteraars
die we kennen. Het geeft goede verwerkingseigenschappen aan het deeg en levert
een brood op met een fijne, malse en regelmatige kruim. Daarenboven werkt het
vrij langzaam. Na het kneden en ook aan het einde van de narijs vinden we een
deel van het kaliumbromaat nog als zodanig in het deeg terug. Alleen na het
bakken is het volledig omgezet in kaliumbromide. Dat betekent dat het
kaliumbromaat ook nog een gedeelte van zijn werk doet tijdens de ovenrijs. Dat
is de fase, waarin voor busbrood de standigheid nuttig is. Het geeft dus een
goede ovenwerking bij busbrood en daarom wordt het veel gebruikt in landen waar
busbrood de belangrijkste broodsoort is (Angelosaxische landen, Nederland). Op
het einde van de jaren 80 heeft men echter enig argwaan gekregen in verband met
de schadelijkheid voor de gezondheid van kaliumbromide en is men het gebruik
van kaliumbromaat gaan verbieden.
In
landen waar vloerbrood populair is gebruikte men ascorbinezuur als
meelverbeteraar. Ascorbinezuur is vitamine C en is daarom helemaal onschadelijk
voor de gezondheid. Tijdens het bakken wordt het ascorbinezuur echter onder
invloed van de warmte ontbonden. Het gebakken brood bevat dus geen vitamine C
meer. De werking van het ascorbinezuur is dezelfde zoals voor gelijk welk ander
oxidatief werkend meelverbeteraar.
In
het kort komt dit op het volgende neer. In een deeg zorgen SH- of thiolgroepen
voor de beweeglijkheid van de eiwitmoleculen ten opzichte van elkaar. Dit kan
gedemonstreerd worden door het toevoegen van extra thiolgroepen aan het deeg
onder de vorm van cysteïne. Het deeg wordt dan merkelijk slapper. Als door
oxidatie de thiolgroepen verdwijnen (uit 2 SH groepen wordt een S-S brug
gevormd en water), wordt de onderlinge beweeglijkheid ook minder. De
standigheid van het deeg neemt daardoor toe.
Ascorbinezuur
verschilt echter in één opzicht van de andere meelverbeteraars. Het is op
zichzelf geen oxidatiemiddel maar een reductiemiddel. Dat het ascorbinezuur
toch werkzaam is komt door het feit dat tijdens het kneden het onder de invloed
van de zuurstof uit de lucht gaat omgezet worden in dehydro-ascorbinezuur en
dat is wel een oxidatiemiddel. Dit geeft dan de opgenomen zuurstof af aan de
eiwitten van de bloem en er ontstaat terug ascorbinezuur.
De
oxidatie van ascorbinezuur tot dehydro-ascorbinezuur is bij de broodbereiding
alleen tijdens het kneden mogelijk. Dat is het enige moment waarop zuurstof
aanwezig is afkomstig van de lucht die bij het kneden in het deeg wordt
ingeslagen. Na het kneden heeft de gist al snel de nog aanwezige zuurstof
geconsumeerd waardoor tijdens de rijs geen zuurstof meer aanwezig is in het
deeg.
Naast
tarwebloem is er natuurlijk ook roggebloem of roggemeel. Het verschil tussen
bloem en meel is de uitmalingsgraad en dus het asgehalte van de bloem. De
volgende tabel geeft een overzicht van de verschillende soorten, die naar
gelang het land dan ook nog verschillende benamingen hebben. In de tabel is het
asgehalte uitgedrukt als percentage van de droge stof.
|
Asgehalte in meel en
schroot |
||||
|
type meel |
benaming |
minmaal |
nominaal |
maximaal |
|
405 |
patentbloem |
0,380 |
0,405 |
0,400 |
|
550 |
bakmeel |
0,490 |
0,550 |
0,580 |
|
630 |
W-bloem |
0,590 |
0,630 |
0,660 |
|
1050 |
volkorenmeel |
1,000 |
1,050 |
1,150 |
|
610 |
roggebloem |
0,580 |
0,610 |
0,650 |
|
1150 |
roggemeel |
1,100 |
1,150 |
1,250 |
|
1800 |
roggemeel |
1,650 |
1,800 |
2,000 |
De
voornaamste verschillen tussen brood met tarwebloem en brood met roggebloem
zijn de volgende :
1.2. Kwaliteitsbepaling van bloem
Het
bepalen van de kwaliteit van bloem is geen eenvoudige materie. Er zijn
tot op heden geen methodes gevonden die de kwaliteit afdoend en in zijn
totaliteit beschrijft. Er zijn wel een aantal testen zoals de
alveograaf van Chopin, de farinograaf, het valgetal, de petrinex enz. die ons
een idee geven over de kwaliteit van de bloem en haar rheologisch gedrag.
We gaan een aantal van deze proeven beschrijven en hun waarde toelichten.
1.2.1. Organoleptische beoordeling
De
beoordeling met de zintuigen zoals het gevoel, de kleur, de reuk en de smaak,
kan ons iets leren over de kwaliteit van de bloem.
Wanneer
men een hoeveelheid bloem samenknijpt en in de hand heen en weer wrijft, kan
het zijn, dat de bloem glad aanvoelt, maar ze kan ook korrelig of scherp
aanvoelen. Als men de hand dicht knijpt kan de bloem ook aan elkaar klitten en
dan spreken we over "vette" bloem. Dit wil hoegenaamd niet zeggen dat
de bloem veel vet bevat. Het samen klitten wordt ook beïnvloed door het vochtgehalte
en de wijze van vermalen. Valt de bloem losjes uit elkaar na het samenknijpen,
dan spreken we over griffige bloem. Dit is meestal een bloem die gemalen is van
Amerikaanse tarwe of een andere harde tarwesoort. Trouwens als men harde tarwe
te fijn maalt (men spreekt over doodgemalen tarwe) dan gaat men door verhitting
van de walsen de eiwitten beschadigen en zal men een bloem krijgen waaruit men
geen goed brood kan bakken.
Een
ander aspect is de kleur van de bloem.
Deze is afhankelijk van een aantal factoren :
·
De
aanwezige zetmeeldeeltjes en de korrelgrootte van deze deeltjes. De hoeveelheid
zetmeeldeeltjes wordt bepaald door de uitmalingsgraad. Hoe hoger deze is,
d.w.z. dat de molenaar dichter bij de buitenste lagen van de tarwekorrel
gemalen heeft, krijgt men een bloem die donkerder van kleur is. Hoe kleiner de
korrelgrootte, hoe donkerder de bloem.
·
Als
algemene regel geldt dat hoe fijner de bloem is, hoe witter ze zal zijn.
Griffige bloem is dan ook wat donkerder dan gladde bloem, afgezien van andere
factoren die de kleur beïnvloeden.
·
Tarwe
bevat van nature uit caroteen en deze zal de bloem een gele tint geven. Deze
kleur verdwijnt door oxidatie. Hierop berust het bleken van de bloem. Dit kan
op een natuurlijke wijze gebeuren, gewoon door de bloem de stockeren. Tijdens
de stockage zal de gele kleur langzaam verdwijnen en de kleur wordt
krijtachtig. Oxidatie gaat echter de kleur veroorzaakt door de zetmeeldeeltjes
niet beïnvloeden.
·
De
aanwezigheid van verontreinigingen. Tarwe wordt echter goed gereinigd voor het
vermalen zodanig dat de toevallige aanwezigheid van andere zaden, zoals
onkruidzaden, erwten en andere, steeds minder en minder een invloed heeft op de
kleur van de tarwe.
Ten
slotte is er nog het fenomeen van "pikuren". In Vlaanderen zegt men
dat de bloem pikuren bevat, als men kleine donkere tikkeltjes kan ontdekken in
de bloem. Deze zijn meestal afkomstig van de zemelen. Dit kan bijvoorbeeld
voorkomen als er een zeef in de Plansichter beschadigd is.
Goede
bloem heeft geen uitgesproken geur.
Roggebloem heeft een iets meer karakteristieke geur dan tarwebloem en ruikt wat
minder fris. Een afwijkende geur kan volgende oorzaken hebben :
·
Bloem
neemt gemakkelijk geuren op uit de omgeving. Dit komt meer voor dan men denkt.
Dit kan tijdens het vervoer gebeuren op tijdens de opslag. Of bijvoorbeeld
wanneer er schilderwerken aan de gang zijn in de bakkerij. Afwijkende geuren
kunnen ook optreden als de bloem behandeld geweest is tegen ongedierte.
·
Bloem
kan ook bederven en dan ontstaat er een muffe geur. Dit komt voor als te
vochtige bloem te oud wordt en onoordeelkundig wordt gestockeerd bij
bijvoorbeeld een te hoge temperatuur. Dan kan er ook schimmelontwikkeling
optreden. Zo'n bloem moet resoluut afgekeurd worden voor menselijke consumptie.
Om
afwijkende geuren vast te stellen is het best een hoeveelheid bloem, in een
kolf, te overgieten met warm water. Even goed schudden en dan ruiken. De
vluchtige stoffen komen vrij en zijn na het openen van de kolf gemakkelijk waar
te nemen.
Ten
slotte is er de beoordeling van de smaak.
Bloem heeft ook geen uitgesproken smaak, integendeel, ze is eigenlijk smaakloos
en eigenlijk niet lekker. Men zou zich kunnen afvragen hoe het komt dat men uit
relatief onsmakelijke of smaakloze grondstoffen zoals bloem, gist en water,
toch zo'n lekker product kan maken. Bij de beoordeling van de smaak moet men er
alleen op letten of er geen vreemde smaak aan de bloem zit. Het is wel zo dat
bloem, en vooral tarwemeel, na min of meer lang bewaren, een bittere smaak
ontwikkelt.
Ten
slotte moet er opgemerkt worden dat het sensoriëel beoordelen van de bloem heel
belangrijk is, maar dat de resultaten afhankelijk zijn van een individuele
interpretatie van de kleur, geur en smaak. Om betrouwbare resultaten te krijgen
moet men toch men een behoorlijk aantal mensen de beoordeling doen en die
mensen zijn dan best ook nog getraind in deze materie. Dus liefst met een vast
panel dat eventuele op- of aanmerkingen, zo neutraal mogelijk gaat formuleren.
Gezien het feit dat bloem relatief smaak-, kleur- en reukloos is, is het beter
driehoekstesten te doen als men vermoedt dat men een partij bloem binnen krijgt
met afwijkende sensoriële eigenschappen.
1.2.2. De
alveograaf van Chopin

De
alveograaf heeft een kneedkamer (1) met een spiraalvormige kneedarm. In de
kneedkamer is een gleuf waardoor extractie van het deeg mogelijk is. Het
toestel heeft een opblaasapparaat (2) dat kan afgesloten worden met stempel en
schroef. Er is een peer (3) om de eerste lucht in het deeg te blazen. Een
schakelaar (4) regelt de toevoer van lucht. Er is een rustkamer (5) waarin 5
deegschijfjes kunnen geplaatst worden. Om het deeg te kunnen plat rollen en
uitsteken zijn er ook een metalen roller, een plaat, een uitsteekvormpje, een
spatel en metalen plaatjes aanwezig. Paraffine olie is nodig zodat het deeg zo
weinig mogelijk wrijving ondervindt. Het toestel bevat een chronometer en een
manometer. Een computerscherm (6) geeft alle gegevens weer.
De
alveograaf is een toestel dat rheologische eigenschappen meet om de kwaliteit
van graan en bloem te bepalen. Het toestel meet de luchtdruk die nodig is om
een deegballon te maken: het deeg rekt uit in twee richtingen (biaxiaal) en de
snelheid van expansie varieert naargelang het volume van de deegballon
toeneemt. De vervormingen die het deeg ondergaat in deze test benaderen zeer
sterk de eigenlijke veranderingen van een deeg tijdens de fermentatie en de
vroege stadia van het bakken. De alveograaf meet de sterkte en de
uitrekbaarheid van het deeg. Het resultaat is een curve waarin :
·
P
: geeft de maximale druk weer, die een maat is voor de weerstand van het deeg
tegen vervorming. Het is de sterkte van het deeg bij maximale druk of de
tenaciteit (staat in verband met de elastische component van het deeg).
·
L
: de lengte wordt uitgezet in mm op de abscis en is een maat voor de uitrekbaarheid
of de extensibiliteit van het deeg (maat voor de viskeuze component van het
deeg).
·
P/L
: het quotiënt van P en L en geeft de balans weer tussen de viskeuze en de
elastische eigenschappen van het deeg.
·
W
:de arbeid die nodig is om de bel op te blazen tot ze scheurt. De arbeid wordt
uitgedrukt in 10-4 J.

1.2.3. Sedimentatiewaarde van Zélény
Tarwe
eiwitten hebben de eigenschap te zwellen in een zuur milieu en L. Zélény stelde
vast dat er een verband bestond tussen de capaciteit van het zwellen en de
kwaliteit van de bloem. Hij ontwierp dan ook een proef die zijn naam draagt.
Aan
een waterige suspensie van bloem, voegt men melkzuur toe. Er ontstaat dan een
neerslag van opgezwollen bloemdeeltjes. Zélény kwam tot de conclusie dat hoe
groter de hoeveelheid sedimentatie was hoe groter het volume van het brood was.
De
methode is de volgende :
De
uitkomst van deze test wordt beïnvloed door de manier waarop hij wordt
uitgevoerd, dus is een gestandaardiseerde werkwijze nodig. Daarenboven wordt het
resultaat ook beïnvloed door het maaldiagramma in de molen, vandaar dat de
methode minder geschikt is om stalen bloem van verschillende molens met elkaar
te vergelijken. Krijgt men echter steeds bloem van dezelfde maalder, dan geeft
deze methode een waarderingscijfer zowel voor de kwantiteit als de kwaliteit
van het eiwit.
Men
stelt wel vast dat de waarde van een vers gemalen bloem iets hoger zal liggen
dan de waarde van een bloem die bijvoorbeeld één maand oud is. In de praktijk
zijn er natuurlijk veel factoren die het volume van het brood gaan beïnvloeden
zoals o.a.
Zoals
de meeste testen op bloem, geeft ook deze geen 100 % garantie of een bepaalde
bloem al dan niet beter geschikt is om brood mee te maken dan een andere.
1.2.4. Bepalen van het vochtgehalte van de bloem
Het
vochtgehalte van de bloem is belangrijk. Het is namelijk zo dat tijdens de
stockage de bloem een hoeveelheid vocht gaat verliezen, maar dat daarna de
bloem tijdens het kneden meer water gaat absorberen dan de hoeveelheid vocht
die verloren gegaan is. Als vuistregel neemt men aan dat een vochtverlies van 1
% overeenstemt met een verhoogde water opname van 2 % tijdens het kneden.
In
de klassieke methode gaat men het vochtgehalte bepalen bij een lage temperatuur
en onder partieel vacuüm en dit om te vermijden dat een hoeveelheid vluchtige
stoffen die in de bloem aanwezig zijn als vocht zouden bepaald worden. In de
praktijk is dit echter een vrij omslachtige methode en gaat men een sneldroog
methode uitgewerkt. Men gaat daarbij als volgt te werk :
Vijf
gram meel wordt gedurende 2 uur in een droogstoof verhit op een temperatuur van
130 –
1.2.5. Bepalen van het asgehalte van de bloem
Het
asgehalte is een maat voor de uitmalingsgraad van de tarwe. Bij de bepaling van
het asgehalte wordt nagegaan wat er overblijft wanneer de bloem zo sterk verhit
wordt dat het organisch materiaal volledig verbrand wordt. Het resultaat van de
bepaling is afhankelijk van de verassingtijd en de verassingtemperatuur. Men
heeft daarom afspraken gemaakt over de analyse methode. Er wordt verast bij
Een
hoeveelheid bloem of meel variërend tussen 2 en
Het
asgehalte van meel of bloem is een maat voor de uitmalingsgraad. Het dient
daarom onafhankelijk te zijn van andere factoren en het wordt daarom berekend
op droge stof. Het volgend voorbeeld maakt de berekeningen duidelijk :
Veronderstel
dat een monster bloem van
(5,00 – 4,32) x 100
/ 5,00 = 13,6 %
Het asgehalte
wordt dan als volgt berekend :
(0,0304 x 100)/4,32 = 0,70 %
1.2.6. Bepalen van het eiwitgehalte van de bloem
Gezien
het belang van het tarwe-eiwit in de productie van brood is het bepalen van het
eiwitgehalte van de bloem een belangrijke analyse. Dikwijls worden prijzen
bepaald aan de hand van het eiwitgehalte, hoewel de hoeveelheid eiwit niet
noodzakelijk een maat is voor de kwaliteit van de bloem. In de praktijk gaat
men de hoeveelheid stikstof bepalen in de bloem door gebruik te maken van de
methode van Kjeldahl. De hoeveelheid stikstof is een maat voor de hoeveelheid
eiwit. Om die omrekening te doen moet men natuurlijk het stikstof gehalte van
het eiwit kennen. Dit is voor alle eiwitten niet hetzelfde en men maakt daarom
ook gebruik van gemiddelden. Gemiddeld bevatten eiwitten 16 % stikstof, wat
overeenkomt met een gemiddelde eiwitfactor van (100/16) = 6,25. Indien van
bepaalde eiwitten de samenstelling voldoende bekend is, gebruikt men voor zo'n
eiwit een speciale factor. In geval van tarwe-eiwit is die factor 5,7 wat
overeenkomst met een stikstof gehalte in het eiwit van 17,55 %.
Zoals
hierboven al vermeld, heeft tarwe-eiwit geen enkelvoudige samenstelling : het
bestaat uit albuminen, gliadine, glutenine enz. Albumine is oplosbaar in water
en speelt geen rol van betekenis is het bepalen van de bakkwaliteit van de
tarwe. Veel belangrijker is het complex eiwitten dat niet in water oplosbaar is
maar er een rekbare en elastische massa vormt. Men noemt deze eiwitten de
gluten. Deze kunnen uit een deegje uitgewassen worden. Als men een beetje deeg
onder een straal water houdt en het zachtjes kneed, dan gaan de zetmeelkorrels
weggespoeld worden en houdt men de gluten over. Gebaseerd op dit principe heeft
men een analyse ontwikkeld om de hoeveelheid gluten in de bloem te bepalen. De
methode is vrij arbeidsintensief. In principe wordt een deegje gemaakt met
Zowel
het glutengehalte als het waterbindend vermogen kan sterk variëren maar zijn
groot belang voor het bepalen van de kwaliteit van de bloem. Een gehalte aan
nat gluten van 20 – 27 % en een waterbindend vermogen van 160 –
200 % zijn normaal voor bloem van goede kwaliteit. Nochtans zegt dit ook niet
alles. Ook de rekbaarheid en de rekweerstand van de gluten zijn van groot
belang. Is de rekbaarheid groot en de rekweerstand klein, dan spreken we van
slap gluten. Amerikaanse echter heeft wel rekbaar gluten maar de rekweerstand
is groot. Men spreekt over straf gluten. Daarnaast speelt ook de elasticiteit
een grote rol. Kauwgom is wel rekbaar maar niet elastisch. Goede bloem is niet
alleen rekbaar maar ook elastisch. Wanneer de rekbaarheid klein is en de
glutenstreng bij uitrekken gemakkelijk doorbreekt, dan zeggen we dat de gluten
"kort" zijn. Dit komt voor bij oude bloem bijvoorbeeld of bij bloem
die gemalen is van tarwe die tijdens de stockage verhit geraakt is.
1.2.7. Bepalen van het suikervormend vermogen van de bloem
Tijdens
het rijzen en bakken zijn er suikers nodig. Tijdens de vergisting worden die
omgezet tot CO2 en tijdens het bakken zijn ze nodig voor de
kleurvorming van de korst. Er zijn drie mogelijke bronnen :
Het
vermogen van de bloem om zetmeel tot suikers af te breken wordt het
suikervormend vermogen genoemd. Dit gebeurt dank zij de aanwezige amylasen.
Enzymen zijn eiwitten die er voor zorgen dat stoffen omgezet worden in andere
stoffen. De enzymen worden bij die omzetting niet verbruikt. Het gevolg daarvan
is dat slechts een kleine hoeveelheid nodig is om grote hoeveelheden van een
bepaalde stof af te breken. De hoeveelheid omgezette stof per tijdseenheid is
natuurlijk wel afhankelijk van de hoeveelheid enzym. Om de enzymatische
activiteit van de bloem te bepalen zijn er twee methodes : het valgetal en het
maltosegetal.
Er
zijn twee verschillende amylasen : α-amylase en β-amylase. Normaal
gezien is er voldoende β-amylase aanwezig in de bloem. Het komt echter wel
eens voor dat er onvoldoende α-amylase aanwezig is. Deze wordt dan meestal
extra toegevoegd via de bloem of via de broodverbeteraar. Het gebeurt echter
ook dat de bloem teveel α-amylase bevat. Dit komt voor als de tarwe
beginnen kiemen is tijdens de oogst. Tijdens het kiemen gaat de α-amylase
extra veel suikers produceren als voedingsstof voor de ontluikende plant.
Zetmeel
bestaat uit lange ketens die opgebouwd zijn uit glucose eenheden. De lengte van
zo'n keten varieert van circa 1.000 tot 20.000 aangeschakelde moleculen
glucose. De werking van α-amylase verschilt van deze van β-amylase :
de eerste kan de glucoseketen splitsen op willekeurige plaatsen, terwijl de
tweede enkel aan de uiteinden van de keten één maltose molecule kan afsplitsen.
Maltose bestaat uit twee aaneengeschakelde moleculen glucose. Als er alleen
α-amylase aanwezig is dan worden de zetmeelmoleculen in grote stukken
gesplitst die we dextrinen noemen. Als alleen β-amylase aanwezig is wordt
aan de uiteinden van de zetmeelketens maltose afgesplitst. Door de grote lengte
van de keten is het aantal uiteinde gering en zal er dus weinig maltose gevormd
worden. β-amylase wordt daarom ook echt maar actief als er door de
α-amylase voldoende kortere brokstukken ontstaan zijn. De eindproducten
van deze enzymatische omzettingen zijn maltose en dextrinen.
Om
het maltosgetal te bepalen wordt bloem geïncubeerd met water gedurende een
bepaalde tijd waardoor een amylase activiteit plaatsgrijpt. Bij deze activiteit
ontstaan dus suikers en de hoeveelheid ontstane suikers is een maat voor de
aanwezige amylasen. De suikeroplossing, die we na filtratie bekomen wordt
getitreerd in een mengsel van twee Fehlingoplossingen. Dit mengsel bevat Cu2+
en natriumkaliumtartraat. De aanwezig suikers reduceren de Cu2+ naar
Cu+ en het natriumkaliumtartraat doet dienst als komplexerende stof
voor het koper. Als alle Cu2+ gereduceerd is heeft de titratie haar
eindpunt bereikt. Dit is te merken aan de kleuromslag van blauw naar roodbruin.
Hoe groter het volume suikeroplossing uit de buret, toegevoegd aan de erlenmeyer,
hoe minder geconcentreerd de suikeroplossing was, dus hoe lager de amylase
activiteit is.
Voor
de bepaling heeft men volgende reagentia nodig :
Het maltosegetal wordt als volgt bepaald :
In
een droge propere erlenmeyer weegt men
Voeg
1,5 ml verdunde zwavelzuuroplossing toe en 3,5 ml natriumtungstaatoplossing.
Meng en filtreer door geschikt filtreerpapier, Whatman n° 5 bijvoorbeeld. Het
heldere filtraat wordt in een buret gebracht en getitreerd tegen een mengsel
van 5 ml Fehling I oplossing en 6 ml Fehling II oplossing (in erlenmeyer). Het
mengsel in de erlenmeyer laat men eerst opkoken en dan voegt men 7 druppels
methyleenblauw toe. Daarna kan de titratie uitgevoerd worden. Het eindpunt van
de titratie is te zien bij de kleuromslag van blauw naar roodbruin. Op de buret
is de hoeveelheid toegevoegde suikeroplossing af te lezen. Het overeenkomstig
maltosegetal wordt afgelezen uit onderstaande tabel.
|
ml suiker oplossing |
maltose getal |
ml suiker oplossing |
maltose getal |
|
15 |
3,61 |
33 |
1,61 |
|
16 |
3,38 |
34 |
1,56 |
|
17 |
3,18 |
35 |
1,52 |
|
18 |
3,00 |
36 |
1,47 |
|
19 |
2,84 |
37 |
1,45 |
|
20 |
2,69 |
38 |
1,40 |
|
21 |
2,56 |
39 |
1,36 |
|
22 |
2,44 |
40 |
1,32 |
|
23 |
2,33 |
41 |
1,29 |
|
24 |
2,23 |
42 |
1,26 |
|
25 |
2,14 |
43 |
1,23 |
|
25 |
2,06 |
44 |
1,20 |
|
27 |
1,99 |
45 |
1,17 |
|
28 |
1,91 |
46 |
1,15 |
|
29 |
1,84 |
47 |
1,12 |
|
30 |
1,77 |
48 |
1,10 |
|
31 |
1,72 |
49 |
1,08 |
|
32 |
1,66 |
50 |
1,05 |
Meestal
ligt het maltosegetal tussen 1,30 en 2,30. Een te laag maltosegetal geeft het
risico van een te langzame gisting, wat door toevoeging van mout of suikers kan
verholpen worden. Een te hoog maltosegetal wijst op het gebruik van schottige
tarwe (gekiemde tarwe). Dit kan aanleiding geven tot een kleffe kruim.
Toevoeging van azijnzuur of melkzuur kan dit euvel gedeeltelijk verhelpen.
1.2.8. Bepalen van het valgetal
Hagberg
en Perten hebben een methode ontwikkeld om het diastatisch vermogen van de
bloem te bepalen. Met diastatisch vermogen wordt het vermogen om zetmeel af te
breken in maltose en dextrinen bedoeld. Bij deze bepaling wordt een kleine
hoeveelheid bloem met water in een verticale buis gebracht. Onder verwarming
wordt de bloem met een roerder in suspensie gebracht en gehouden. De
viscositeit van deze suspensie is onder andere afhankelijk van de aanwezige
hoeveelheid amylase. Hoe meer amylase aanwezig, hoe dunner de suspensie zal
zijn. De bepaling komt erop neer dat men kogel door de suspensie naar beneden
laat vallen. De valtijd in seconden wordt het valgetal van Hagberg genoemd. Dit
zal groot zijn als de suspensie dik is, m.a.w. als er weinig amylase aanwezig
is. Bloem om brood te maken heeft een valgetal van circa 250 seconden.
De
belangrijkste onderdelen van het toestel zijn glazen buizen met een
binnendiameter van
Een
getal kleiner dan 150 wijst op een hoge amylase activiteit. Een getal groter
dan 300 op een lage amylase activiteit. Bij gewone brood recepten met 2 % gist
en bij de gebruikelijke bloemkwaliteiten, zullen er van nature uit in de bloem
voldoende suikers aanwezig zijn voor een rijs van ongeveer 1 uur. Van zodra
deze suikers door de gist verbruikt zijn, zal de gist ook de gevormde maltose
gaan omzetten. De hoeveelheid maltose die voor de vergisting beschikbaar is,
wordt groter naarmate er meer α-amylase aanwezig is. De hoeveelheid
α-amylase kan verhoogd worden door het toevoegen van mout. Maar er is ook
een grens aan de omzetting van zetmeel in suikers en van suikers in CO2.
Dit gebeurt als het gedeelte van het zetmeel, dat door de amylase afbreekbaar
is, volledig verbruikt is. Een tweede mogelijkheid waarom de CO2
productie ophoudt is dat er zoveel alcohol gevormd is dat de gist zijn
activiteit verliest. Dit moment treedt echter zeer laat op. Een remming van de
gist door zijn eigen stofwisselingsproducten komt bij de productie van brood
praktisch niet voor. De volgende proef illustreert de invloed van amylase op het
volume van het brood. Naast het groter volume ziet men ook dat de
kruimstructuur wat fijner wordt en dat de korstkleur iets frisser wordt.
| Bakproef | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |
| % mout op de bloem | 0,0 % | 0,1 % | 0,2 % | 0,3 % | 0,4 % |
| valgetal van het mengsel | 360 s | 270 s | 205 s | 175 s | 140 s |
| volume van het brood | 550 ml | 575 ml | 595 ml | 595 ml | 600 ml |
1.2.9. De
farinograaf van Brabender
Met
de farinograaf wordt de consistentie van het deeg gemeten en geregistreerd
tijdens de deegbereiding. Deze consistentie is afhankelijk van de kwaliteit van
de bloem, van de hoeveelheid water die men gebruikt, van de tijd dat men kneed
en van de temperatuur van het deeg. Door steeds in dezelfde omstandigheden te
werken kan men het waterabsorberend vermogen van de bloem bepalen.

Bij
een volledig onderzoek met de farinograaf worden drie grafieken gemaakt : een
titreerkromme, een normaalkromme en een rustkromme.
Om
de titreerkromme te bekomen wordt
Om
de normaalkromme te verkrijgen weegt men terug
Men
maakt op dezelfde manier als voor de normaalkromme een deeg en zodra de
consistentie van 500 farinograafeenheden bereikt is, wordt de machine afgezet.
Men laat het deeg gedurende één uur rusten bij
De
metingen met de farinograaf verstrekken gegevens over :
De
farinograaf verstrekt dus voornamelijk gegevens die betrekking hebben op het
kneden. Dit kan ook niet anders want in feite is de farinograaf niets anders
dan een registererende kneder. Met de rustkromme trachten we een inzicht te
krijgen in wat er na het kneedproces gebeurt. Maar voor het meten ervan,
moeten we weer gaan kneden, iets dat in de praktijk (behalve bij het zogenaamde
"toeslaan" van het deeg als men de kneder enkele toeren laat draaien)
niet op de manier gebeurt zoals het bij de proef gebeurt. Bovendien weten we
dat de eigenschappen van het deeg sterk worden beïnvloed door de mechanische
bewerkingen (opbollen, langsteken) die het deeg krijgt na het kneden.
1.2.10. De extensograaf
De
extensograaf werd ook door Brabender ontworpen nadat de onvolledigheid van de
met de farinograaf verkregen gegevens was gebleken. Men de extensograaf wordt
een deegstuk, dat door opbollen en uitrollen, tot een cilindertje gevormd. Na
een rusttijd wordt het mechanisch uitgetrokken. De kracht die nodig is om het
cilindertje uit te trekken (rekkracht = rekweerstand) wordt geregistreerd in
functie van de tijd die verloopt tot het deegstuk breekt (de rekbaarheid). Het
extensogram kan daarom worden beschouwd als een kracht-rek diagram.

In
de kneder van de farinograaf wordt, uitgaande van
Van dit
extensogram gaat men de volgende grootheden aflezen :
·
de
oppervlakte onder de kromme (A) in cm². Dit is een maat voor de totale energie
die nodig is om het deegstuk uit te rekken. Dit oppervlak wordt met een
planimeter bepaald. Naargelang de bloem sterker is, zal er meer energie nodig
zijn vooraleer het deegstuk breekt.
·
de
rekweerstand : hiervoor gebruikt men ofwel de maximale hoogte van de curve
uitgedrukt in extensograafeenheden ofwel de hoogte van de curve op
·
de
rekbaarheid, gemeten als lengte van het extensigram in mm
·
de
verhouding rekweerstand/rekbaarheid dienst naast het oppervlak, voor de
karakterisering van de eigenschappen van de bloem.
Het onderzoek met de extensograaf kan niet alleen
gebruikt worden om de kwaliteit van de bloem als zodanig te bepalen maar ook om
de invloed van toevoegingen (enzymen, oxidantia...) aan het deeg te bestuderen.
Er is echter wel een grote beperkende factor nl. dat de gemaakte deegjes geen
gist bevatten. En uiteraard, de structuur van een gerezen deeg en van een
ongerezen deeg zijn totaal verschillend.
1.2.11. De amylograaf
Een
suspensie van bloem (

De
verkregen kromme geeft het verloop van de viscositeit op de y-as tegen de tijd
op de x-as. Aangezien de temperatuursstijging evenredig is met de tijd kan men
op de x-as ook de temperatuur uitzetten. Uit de kromme worden dan volgende
gegevens afgelezen :
Interessant
is de proef uit te voeren zowel op roggebloem als op tarwebloem. Bij roggebloem
begint de verstijfseling vroeger dan bij tarwebloem. Het maximum wordt bij
roggebloem vroeger bereikt dan bij tarwebloem en is in absolute waarde
merkelijk kleiner. Roggebloem verstijfselt dus gemakkelijker maar de
enzymatische activiteit is veel sterker dan bij tarwebloem. Men kan
bijvoorbeeld ook mout toevoegen aan tarwebloem. Door de toevoeging verandert het begin van de
verstijfseling niet, maar het maximum ligt, door de sterke enzymatische
activiteit veel lager en wordt dus ook bij een lagere temperatuur bereikt.
Aan
de hand van de volgende tabel krijgt men een overzicht van de farinograaf,
extensograaf en de amylograaf.
|
|
kneden |
verwerkbaarheid |
bakken |
|
methode |
dynamisch |
statisch |
dynamisch |
|
type instrument |
farinograaf |
extensograaf |
amylograaf |
|
|
farinogram
|
extensogram
|
amylogram
|
|
type informatie |
waterabsorptie |